Agenda bijeenkomsten

Publiek-private overlegbijeenkomsten 2018:

feb
7
wo
2018
Duurzaamheid en duurzaam inkopen
feb 7 @ 09:30 – 13:00

Intervisiebijeenkomst duurzaamheid en duurzaam inkopen

Woensdag7 februari 2018 – 09.30 tot 13.00 uur

Voor gemeentelijke functionarissen
Voor bedrijven die duurzaamheidsinitiatieven (willen) nemen
Locatie: Amersfoort

Programma

  1. Ontvangst met koffie / thee
  2. Opening door de dagvoorzitter en algemene inleiding
    De overheid koopt jaarlijks voor meer dan 60 miljard in aan goederen en diensten. Aan deze inkopen stelt de overheid eisen waaraan de producten en diensten moeten voldoen. Om duurzaam ondernemen in Nederland een impuls te geven, heeft de overheid enkele jaren geleden gesteld dat al haar inkopen duurzaam moeten zijn. Het bedrijfsleven ondersteunt dit standpunt. In de praktijk zijn er nog wel de nodige knelpunten. Duurzaam inkopen biedt veel kansen. De overheid kan er haar bedrijfsvoering mee verduurzamen en haar uitgaven ermee op orde krijgen door in te kopen op levensduurkosten. Daarnaast creëert duurzaam inkopen door de overheid een hefboom voor bedrijven die een rol willen spelen in de transitie naar een duurzame economie, en die maatschappelijk verantwoord (willen) ondernemen. Het is ook een goedkoop instrument. Het draait om het slim en professioneel uitgeven van geld.Tijdens onze bijeenkomst wisselen we concrete voorbeelden en ervaringen uit de praktijk uit. De bijeenkomst is uitsluitend gebaseerd op specifieke aansprekende praktijkvoorbeelden van de initiatiefnemers en deelnemers. De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij zelf aan de orde willen stellen, onder meer uit de inventarisatielijst onder programmapunt 4. Dus niet alle op de lijst geplaatste aandachtspunten worden besproken, doch alleen de door de aanwezigen te kiezen aandachtspunten en vraagpunten. Dat kunnen overigens ook punten zijn die niet op de inventarisatielijst staan ! Tijdens de bijeenkomst zullen deze problemen grondig worden behandeld, middels praktische intervisie met elkaar. Doelstelling: verkrijging van handvatten voor het maken van keuzes. Men geeft elkaar tips voor kwaliteitsverbetering en kostenreductie. Gebleken is dat gemeenten, bedrijven en andere partijen daar erg veel baat bij kunnen hebben.
  3. Tot bij aanvang van de bijeenkomst kunnen nog vraag- en probleempunten worden geagendeerd m.b.t. de volgende relevante hoofd-thema’s:
    Duurzaam inkopen en maatschappelijk verantwoord ondernemen – algemeen, milieu-aspecten en energiezuinigheid, sociale aspecten; Social Return on Investment, MVO-stimulering, verduurzaming bedrijfsvoering, EMVI, ISO 26000 (kwaliteitsnorm maatschappelijk verantwoord ondernemen)
  4. Door gemeenten en bedrijven zijn de afgelopen tijd de navolgende vraagpunten, aandachtspunten en kritiekpunten ingediend:
    • We gaan zoeken naar een manier om vorm te geven aan social return in aanbestedingsprocedures, ook als tegelijkertijd regulier personeel uit dienst moet, als gevolg van het inschakelen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
    • Aangezien er nog steeds discussie is over laagste prijs versus EMVI en de wetgeving daartussen, blijven wij zoeken naar een reële verhouding tussen kwaliteitsbeoordeling en prijsbeoordeling.
    • De neiging bij overheden om beleid dichtgetimmerd te maken, zorgt voor relatief weinig manouvreerruimte. Met name bij SROI / sociale voorwaarden remt het de mogelijkheid om aan inschrijvers ruimte te laten en maakt het innovatief aanbesteden dus ook lastig.
    • We zijn een bezuinigende gemeente zonder inkoper of inkoopcoördinator, maar we willen het duurzaam inkopen onder de aandacht brengen van college en collega’s en we willen hen overtuigen van het nut en we willen duurzame werkwijzen borgen.
    • Het is ondoenlijk de duurzame of duurzaamste variant van een product te vinden. Ik vraag me af wat de meerwaarde is van een marktconsultatie en/of een levens-cyclus-analyse (LCA).
    • Duurzaam is een containerbegrip. Het is heel moeilijk om in onderlinge samenhang verschillende duurzaamheidsaspecten tegen elkaar af te wegen en tot een keuze te komen. We willen graag met het bedrijfsleven verder van gedachten wisselen.
    • De paradox tussen duurzaamheid en besparingen wordt niet doorbroken als er geen geld is om investeringen te doen, ook niet als die zich op termijn terugverdienen en ook niet als vooraf bekend is dat duurzaam investeren heel positief kan werken. Inkopers vinden dat duurzaamheidseisen alleen maar kostenverhogend werken terwijl de gemeente fors moeten bezuinigen.
    • Ik heb moeite om bij interne opdrachtgevers en bestuur helder te maken dat refurbished of hergebruik heel goed mogelijk is.
    • De criteriasets van Agentschap NL (bestaat overigens allang niet meer) geven een praktische invulling van duurzaamheid bij inkoop. Ze worden echter niet meer onderhouden (vernieuwd) en niet uitgebreid. Iedere overheid is nu weer bezig om zelf wat te verzinnen. Ik ben op zoek naar een gemeenschappelijke visie en een eenduidige aanpak. Ik wil contact houden met gemeenten en bedrijven om te zoeken naar aanknopingspunten en oplossingen.
    • We zijn op zoek naar ervaringen met best value procurement (BVP) oftewel prestatie-inkoop.
    • Ik ga ervoor zorgen dat criteria voor duurzaam inkopen van Pianoo standaard worden betrokken bij inkoop en aanbesteding in de kleine gemeente Waterland. SROI is al wel vermeld in de nota inkoop & aanbesteding. Aan mij de taak om duurzaamheid onderdeel te laten zijn bij inkoop en aanbesteding.
    • We hebben nog geen ervaringen met BVP. We willen graag overleg met partijen die er al wel mee werken.
    • We vragen ons af hoe we social return kunnen monitoren.
    • De duurzaamheidscriteria van Agentschap NL zijn voor sommige productgroepen niet makkelijk toe te passen als je niet helemaal thuis bent in de materie. Bijvoorbeeld bij voertuigen < 3500 kg.>
    • We leggen duurzaamheidseisen op door in het PVE concreet te benoemen hoe we het controleren. Bijvoorbeeld van Euro 5 voertuigen certificaten / vervoersbewijzen aanleveren na gunning om te controleren of ze niet alleen zeggen dat ze euro 5 rijden maar het ook werkelijk doen.
    • We zoeken naar voor- en nadelen van inbesteden en social return. Wanneer zou dat een zinvol instrument kunnen zijn?
    • Inbesteding schoonmaak. Wij gaan dat doen samen met Sociaal Werkvoorzieningsschap. Huidig schoonmaakpersoneel (van ISS) komt echter in de kaartenbak van Sociale zaken terecht. Dit is een ongewenst neveneffect van het maatschappelijk verantwoord ondernemen.
    • Het streven is om in 2015, althans zo snel mogelijk, 100% duurzaam te gaan inkopen maar we vragen ons af of dit mogelijk is en hoe. We zoeken naar andere criteria dan alleen maar de criteria van Agentschap NL en we overleggen na de bijeenkomst graag met andere gemeenten en bedrijven over ideeën hiervoor.
    • We willen duurzaamheid gaan inpassen bij te verstrekken opdrachten in de GWW
    • Succesfactoren voor duurzaam inkopen: mensen met enthousiasme en enige vakkennis op het gebied van inkopen, communicatief vaardige mensen, korte lijnen en geen schuttingen; ook niet na contractsluiting, mensen die vertrouwen hebben in andere mensen en vertrouwen hebben in de markt.
    • Hoe kan duurzaamheid goedkoop worden – enkele willekeurige ideeën: Laat het aan de markt over, leasen, cost of ownership meenemen en besparingen over komende jaren kapitaliseren, termijnen verlengen, waarde toevoegen aan duurzaamheid, andere afdelingen erbij halen, kostenverdeling tussen afdelingen, koppen bij elkaar steken zo vaak mogelijk, minimumcriteria en politieke criteria, waar lopen de bewoners warm voor, ondernemerscontacten, enthousiasme bij degene die ermee bezig is.
    • Social Return on Investment is in bedrijven in de groenbranche een probleem vanwege het specialistische werk maar er zijn op andere manieren best mouwen aan te passen, bijvoorbeeld door mensen met een afstand tot de markt stage te laten lopen binnen het bedrijf, maar dan niet in het primaire proces maar in het ondersteunende proces.
    • Duurzaamheid stopt als het “te duur” wordt. Maar dit is veelal een gevolg van onbekendheid met inverdienmogelijkheden, terugverdienmogelijkheden, maatschappelijke winst, indirecte en directe bedrijfswinst door het verhogen van omzet in bestaande markten en het zelfs aanboren van geheel nieuwe markten.
    • Best Value Procurement (BVP oftewel prestatie-inkoop) is een goede methode om betere resultaten te behalen. Voegt BVP iets toe als een nieuwe manier van aanbesteden? Hoe werkt het in de praktijk? Waarom is BVP anders dan gunnen op EMVI?
    • Wat zijn voorbeelden van BVP bij succesvolle aanbestedingen in schoonmaak en facilitair beheer.
    • Circulair inkopen wint steeds meer terrein. McKinsey heeft berekend dat een circulaire Europese economie 500 miljard per jaar kan opleveren. Hoe gaan we van de lineaire status quo naar circulaire producten, processen en relaties? En hoe gebruik je de inkoopkracht van je organisatie om deze ontwikkeling te stimuleren?
    • We nemen nu duurzaamheideisen op met als enig bewijs een eigen verklaring, maar we willen in ieder geval wel steekproefsgewijs gaan controleren. Duurzaamheideisen hebben een sterke signaalfunctie naar de markt.
    • Een belangrijk argument om te kiezen voor een niet-openbare procedure is het reduceren van de werkbelasting, zowel bij de aanbieders gezamenlijk als bij de aanbestedende dienst.
    • Wat zijn de meest recente algemene duurzaamheidsontwikkelingen in de branche?
    • Hoe wordt vandaag de dag omgegaan met social return, sociale voorwaarden, milieucriteria enz.?
    • Wat zijn externe invloeden die de prestaties in de keten beïnvloeden?
    • Is het mogelijk om alternatieve producten of diensten aan te schaffen die beter zijn vanuit het oogpunt van duurzaamheid?
    • Is het mogelijk om de vraag globaler te formuleren, opdat leveranciers ruimte krijgen om met duurzame oplossingen te komen?
    • Bij welke aanbestedingen speelde duurzaamheid geen of een beperkte rol, terwijl dat wel mogelijk was?
    • Is inkoop überhaupt noodzakelijk of zijn er andere oplossingen denkbaar, zoals hergebruik of gedeeld gebruik?
  5. Slotronde en afsluiting
    Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.
mrt
7
wo
2018
Bedrijfsvoering en klantcontactcentra
mrt 7 @ 00:00
Intervisiebijeenkomst Praktijkproblemen gemeentelijke bedrijfsvoering en publieksdienstverlening
mrt 7 @ 09:30 – 13:00

Woensdag 7 maart 2018, 09.30 uur tot 13.00 uur

Voor gemeentelijke functionarissen
Met inbreng van organisatiekundigen en ondernemersbelangenorganisaties

Locatie: Amersfoort

Programma

  1. Ontvangst met koffie / thee
  2. Opening en inleiding om 09.30 uur door de dagvoorzitter

Vanuit gemeenten, bedrijven en andere organisaties zijn vraag- en aandachtspunten aangedragen voor de agenda van deze bijeenkomst. Ze staan op de inventarisatielijst (punt 4) van deze agenda. De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij zelf aan de orde willen stellen, onder meer uit deze lijst. Maar niet alle op de lijst geplaatste aandachtspunten worden besproken, doch alleen de door de aanwezigen te kiezen aandachtspunten en vraagpunten. Dat kunnen overigens ook punten zijn die niet op de inventarisatielijst staan ! Tijdens de bijeenkomst zullen deze problemen grondig worden behandeld, gebruikmakend van praktische kennis van de aanwezigen. Doelstelling: verkrijging van ideeën en handvatten voor verbeteringen op de werkvloer.

  1. Tot bij aanvang van de bijeenkomst kunnen nog vraag- en probleempunten worden

geagendeerd m.b.t. de volgende relevante thema’s:

Bedrijfsvoering * Publieksdienstverlening * Klantcontactcentrum / Klantcontactsysteem * Verbetering dienstverlening aan burgers en bedrijven * Dienstverlening en informatiebeleid * Shared service center * Gebiedsgericht en wijkgestuurd * Samenwerking backoffice en frontoffice * Beter en goedkoper vanuit het gebruikersperspectief * Klantreizen en serviceformules * * Leanmethode * Smart finance.

  1. Groslijst van vraag- en aandachtspunten die door gemeenten en anderen de afgelopen tijd zijn ingediend

Let op: tijdens de bijeenkomst wordt gekozen welke punten worden besproken en kunnen door de aanwezigen ook eigen punten worden ingebracht

  • Wat is de toekomst van het KCC en de plek van dienstverlening in de organisatie
  • Wat bepaalt het succes van klantcontactcentra en klantcontactsystemen
  • De techniek (Klant Contact Systeem, website, digitale loketten) gaat soms harder dan de organisatie en de individuele medewerkers aankunnen.
  • Kan een KCC werkelijk binnen afzienbare tijd tachtig procent van alle vragen meteen afhandelen?
  • De ene gemeente kiest voor generieke klantadviseurs in een KCC die alle vragen van burgers en bedrijven beantwoorden. Andere gemeenten houden een bepaalde scheiding tussen eerste en tweede lijn of tussen burgers en bedrijven. Wat is wijsheid?
  • In de samenwerking tussen KCC en vak-afdelingen is het overdrachtsmoment van belang. Wat verwacht je van elkaar en lever je zoals de ander dat verwacht?
  • We streven naar competente (KCC-)medewerkers. Medewerkers die geleidelijk (niet ‘big-bang’) groeien in kennis en kunde om op termijn een breed portfolio van gemeentelijke producten en diensten te kunnen leveren aan burgers en bedrijven.
  • In een goed KCC / KCS hebben burgers en bedrijven één contactpunt. Klopt dit in de praktijk?
  • De relatie van het KCC met vakafdelingen die taken op het gebied van directe klantcontacten afstaan. Vaak hebben medewerkers van vakafdelingen die voorheen zelf contact hadden met klanten, scepsis over de kwaliteit van een KCC.
  • Samenwerking levert niet alleen meer kwaliteit op, maar op de langere termijn ook besparingen. Zoek je buren op. Kijk waar je kosten en kennis kunt delen, zodat je uiteindelijk goedkoper hetzelfde of meer over de bühne krijgt. Buurgemeenten kunnen samen een KCC beginnen. Kijk ook naar organisaties buiten de lokale overheid, zoals woningbouwverenigingen.
  • Uit informatie, verkregen van meer dan 100 verschillende gemeenten, blijkt dat niet meteen glashelder is wat bijvoorbeeld de rol van het KCC wordt bij de decentralisaties. De focus lijkt vooral te liggen op de integrale aanpak door professionals. Veel gemeenten zetten in op wijkteams. Maar dekt de gemeente daar wel alle klantvragen op een efficiënte manier mee af?
  • In gesprekken met professionals in het Sociaal Domein blijkt dat zij vaak geen meerwaarde zien in het betrekken en inzetten van het KCC. Wat te doen?
  • Hoe kunnen we het KCC verder door-ontwikkelen? Wat is de volgende stap?
  • Is een KCC voor iedere gemeente de beste oplossing?
  • Ervaringen van gemeenten met de volgende projecten in het kader van “beter en goedkoper vanuit gebruikersperspectief”; rijbewijzen, verhuisproces, informatiediensten aan ZZP’ers, dienstverlening aan begrafenisondernemers, werkfraude.
  • Ervaringen met de nieuwe begrotingsvoorschriften met eenduidige bedrijfsvoerings-indicatoren
  • Introductie van vraaggerichte sturing heeft consequenties voor de inrichting van de gemeentelijke organisatie. We kunnen dit niet zonder een uitgekristalliseerd en meetbaar kwaliteitsbeleid
  • Hoe maak je een toekomst visie van een gemeente concreet, begrijpelijk en inzichtelijk? Onze gemeente heeft een film gemaakt waarin de visie en een toekomstscenario van dienstverlening verbeeld wordt. En een andere gemeente heeft een visie uitgewerkt in een visieplaat, zijnde een poster met de essentie van de dienstverlening, die uitnodigt om hierover in gesprek te gaan.
  • Zaakgericht werken is nodig maar werkt overal anders
  • De gemeentelijke organisatie krijgt te maken nieuwe taken en nieuwe klantgroepen. Dat betekent aanpassen van bestaande processen en het inregelen van nieuwe. Maar wat betekent dit voor het klantcontact van de gemeente? Er wordt veel gesproken over hoe deze klanten ‘toegang’  krijgen tot het sociaal domein. Maar hoe verloopt dat in de praktijk?
  • Ik ga investeren in samenwerking, uitbesteding, verzelfstandiging of andere activiteiten. Hoe kom ik aan informatie om deze beslissing te onderbouwen?
  • Welke methodes zijn er om continu verbeteren in mijn organisatie in te voeren?
  • Hoe kunnen we de financiële positie van onze organisatie snel in beeld brengen?
  • Hoe krijg ik voldoende grip op de financiën van mijn organisatie? Hoe zorg ik voor voldoende stuurinformatie, die ook juist en tijdig is? En hoe organiseer ik dat deze informatie efficiënt en effectief verzameld, veredeld en verstrekt wordt?
  • Hoe krijg ik inzicht in de werkelijke kosten van mijn producten en diensten? Wat zijn voor onze organisatie de belangrijkste costdrivers?
  • Hoe kan mijn organisatie de kosten verlagen met behoud van kwaliteit en betrouwbaarheid?
  • In de huidige tijden van bezuinigen wil ik een directe link leggen tussen budget en te leveren prestaties. Hoe breng ik die informatie gestructureerd in kaart?
  • Hoe kan ik primaire processen beter en sneller ondersteunen, inspelend op samenwerking met de stad: met kennisinstellingen, het bedrijfsleven en de burgers. Stoppen met accountmanagers? Opleidingen optimaal inzetten? Uitwisseling van personeel?
  • Ik wil vraag- en opgavegestuurd werken (klant- en wijkgericht), maatwerk leveren in een gestandaardiseerde en geautomatiseerde omgeving
  • Ik wil snel kunnen schakelen tussen kanalen (streef naar max. 2 contactmomenten voor de klant)
  • Met inzet van digitale kanalen, waaronder sociale media, neemt het gemak contact te hebben met burgers toe. Dit vraagt wel ruimte om zelfstandig te mogen handelen
  • Mensen aannemen die met gebruik van social media zijn opgegroeid.

Medewerkers die daar behoefte aan hebben ondersteunen en faciliteren om wegwijs te worden in het gebruik van social media in hun werk

  • Gedragsregels afspreken: medewerker blijft ambtenaar, ook wanneer hij/zij op social media zit.
  • Bevoegdheden medewerkers helder hebben, weten wat de regels zijn en waar de rek zit, dekking bieden vanuit de organisatie bij snel en flexibel handelen
  • Flexibiliteit in plannen en roostering: maatwerk leveren voor een klant duurt langer
  • De klant vaker bevragen op hun behoeftes en meer betrekken bij procesverbeteringen
  • Beter benutten van inzichten, ervaringen en suggesties van medewerkers met direct klantcontact
  • Richt een team in dat zich buigt over maatwerkvragen.
  • Inwoners en organisaties eisen een niveau van transparantie en leverbetrouwbaarheid waarop de bedrijfsvoering van onze gemeente niet is ingericht
  • Zaakgericht werken en sturen van werkstromen; capaciteit toewijzen aan werkstromen en productiviteit in beeld
  • Sturen met cijfers naar vastgestelde doelen; begroten op resultaat in plaats van uren.
  • Smart finance: ervaringen. Tijdwinst boeken in facturatieproces. Crediteurenproces versnellen via inkoop- en budgetinformatievoorziening
  • We zoeken aanknopingspunten in ons streven naar verbetering van onze bedrijfsvoering maar ondervinden moeilijkheden met samenwerking met andere teams, verantwoordelijkheden laag leggen, werkdruk en prioriteren, betere systemen voor bedrijfsvoering die meer ondersteunend zijn aan ons werk en onze werkprincipes.
  • Ervaringen met klantreizen en serviceformules
  • Aard, inhoud en volume van klantcontact zijn in vijf jaar toch wel veranderd!
  • Persoonlijke dienstverlening: kun je de manier van communiceren afstemmen op de burger en bedrijf zodat je een integraal klantbeeld hebt?
  • De overheid moet zorgvuldig zijn: dus vooraf nadenken over ethische zaken, zoals privacy;
  • Niet simpel maken van de bureaucratie (meldingen indelen en burger laten kiezen) maar écht veranderen door omkering van de dienstverlening
  • De overtuiging dat ‘beter voor de gebruiker en goedkoper voor de organisatie’ samen gaan wanneer het gebruikersperspectief centraal staat, is nog onvoldoende gemeengoed voor zowel veel professionals in het veld als voor bestuurders.
  • Stapsgewijs optimaliseren van de website
  • Ervaringen met verbetermogelijkheden in klantvriendelijkheid en snelheid van dienstverlening en kosteneffectiviteit door de LEAN-methode?
  • Verhogen aandeel digitale transacties door middel van kanaalsturing
  • Door continue verbeteren op alle producten/diensten door te voeren met relatief eenvoudig gebruiksonderzoek kunnen ook (relatief) grote effecten worden bereikt bij kleine gemeenten
  • Er ontstaat meer kostenefficiëntie nadat de dienstverlening is verbeterd en als het gebruikersperspectief (wensen van gebruikers en hun suggesties voor verbetering) leidend is geweest voor de inrichting van de dienstverleningsprocessen.

 

  1. Slotronde en afsluiting

Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.
Binnen 2 weken wordt een compleet verslag aan alle aanwezige deelnemers toegezonden, vergezeld van een deelnemerslijst en concreet toepasbare aanbevelingen.

 

apr
11
wo
2018
Bouwtoezicht
apr 11 @ 09:30 – 13:00

Intervisiebijeenkomst bouwtoezicht

Woensdag 21 maart 2018 – 09.30 tot 13.00 uur

Voor gemeentelijke functionarissen
Met medewerking van bouwadviesbedrijven
Locatie: Amersfoort

Programma

  1. Ontvangst met koffie / thee
  2. Opening door de dagvoorzitter
    De bijeenkomst is uitsluitend gebaseerd op specifieke aansprekende praktijkvoorbeelden van de initiatiefnemers en deelnemers. De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij zelf aan de orde willen stellen. Tijdens de bijeenkomst zullen deze problemen grondig worden behandeld, samen met een aantal van de al genoemde onderwerpen onder agendapunt 4, middels praktische intervisie met elkaar. Doelstelling: verkrijging van handvatten voor het maken van keuzes. Men geeft elkaar tips voor kwaliteitsverbetering en kostenreductie. Gebleken is dat gemeenten en andere ketenpartners daar erg veel baat bij kunnen hebben.
  3. Tot bij aanvang van de bijeenkomst kunnen nog vraag- en probleempunten worden geagendeerd m.b.t. de volgende relevante thema’s en handhavingsaspecten:
    Privatisering van de bouwplantoets, duurzaamheid gebouwen (BREEAM), duurzaam beheer en onderhoud, meerjaren-onderhoud (MJOP – costs of ownership), brand- en constructieve veiligheid, toepassing bouwbesluit en (Nederlandse en Europese) uitvoeringsnormen, leegstand, herbestemming en renovatie, energieprestaties, geluid-isolatie, klimaat en akoestiek, BIM, omgevingsrecht, Multifunctionele Accomodaties, BRIS (Bouwregelgeving Informatie Systemen).
  4. Door gemeenten en bedrijven zijn vooraf de volgende concrete probleempunten en aandachtspunten ingediend (het betreft een groslijst en vanzelfsprekend worden alleen de punten besproken die door de aanwezigen worden ingebracht):
    • We hebben moeite met het bepalen van het “rechtens verkregen niveau” indien geen gegevens uit archivering kunnen worden gehaald. We twijfelen of we dan moeten afgaan op gegevens aanvrager of zelf onderzoek op locatie gaan doen.
    • We hebben moeite met de beoordeling van de MPR (Milieuprestatie-Richtlijn) berekening, mede gezien het vrijblijvende karakter ervan.
    • We krijgen vaak tegenstrijdige adviezen in een bouwproces, waar het college graag integraal geadviseerd wil worden. Wat te doen? Planoverleg op zaaksniveau? Omgevingsteam?
    • We zijn bouwplannen en de vergunning-check op de bouwplaats aan het digitaliseren.
    • De samenwerking tussen bouwtoezicht en de brandweer is nog niet optimaal.
    • We hechten aan het nakijken en de controle van de berekening van de EPC, zowel op de bouw (praktijk) als bij de vergunningverlening.
    • De Bouwbesluit-eis voor gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen lijkt nog niet te leven en is nog weinig bekend en we vragen ons af of er op getoetst wordt en of het werkbaar is. De checklist veiligheid gebouwen werkt in ieder geval goed.
    • De EPC-eis is te vrijblijvend en we zoeken aanknopingspunten voor toetsingsbeleid.
    • We hebben afstemmingsproblemen tussen ons vergunningenteam en de handhavingsteams.
    • We zoeken mogelijkheden voor herbestemming van gebouwen.
    • We hebben de indruk dat er nog niet veel gemeenten met BIM aan de slag zijn.
    • We gaan digitalisering van vergunningverlening koppelen aan toezicht / handhaving.
    • We gaan vergunningverlening digitaliseren maar zoeken nog naar succesvolle methoden van gegevensverwerking e.d.
    • We hebben twijfels over het welslagen van de privatisering van de bouwplantoets. De gevolgen zijn nog te onduidelijk.
    • EPC-normen worden steeds zwaarder en vaak met veel certificaten erbij. Hier wordt veel mee gesjoemeld. We willen als toezichthouder voorkomen dat er niet aan de EPC wordt voldaan. We willen letten op meer dan alleen maar het controleren van de juiste zegel op de juiste ketel enz.
    • Wat is eigenlijk nog de rol en taak van de overheid na de privatisering van de bouwplantoets en de invoering van de private controle op de uitvoering?
    • Handhaving op reclameborden wordt steeds moeilijker.
    • Het veiligheidsniveau van anti-kraakgebouwen is zorgwekkend en moeilijk beinvloedbaar.
    • We hebben een verwaarloosd Rijksmonument in onze gemeente. De eigenaar zit in het buitenland. Er wordt geen onderhoud verricht en er is ontsiering van het straatbeeld.
    • Hoe te handelen wanneer er in het kader van EPC een ander ventilatiesysteem of ketel blijkt te zijn toegepast tijdens de gereedcontrole? Ik wil het bij twijfel opnieuw voorleggen aan de constructeur en ook aan een externe deskundige (second opinion)
    • Er is een wildgroei aan reclame hoofdzakelijk in buitengebied en langs snelwegen. Ook steeds meer aan gevels van panden.
    • Bij sloopwerkzaamheden zijn we asbest tegen gekomen die niet vooraf geinventariseerd was. Na stillegging en opnieuw inventarisatie en verwijdering is de gemeente desalniettemin aansprakelijk gesteld wegens blootstelling aan asbest. We hebben echter de regels gevolgd (direct stillegging en nieuwe inventarisatie) en dan kan ons hopelijk niets worden verweten.
    • Er is een grote relatie tussen constructieve en brandveiligheid in het bouwtoezicht. Hoe wordt die in het toezicht gewaarborgd?
    • Leeft de BRL 5006 (privatisering bouwplantoets) en hoe wordt daarop geanticipeerd?
    • Het beheren van MJOP’s kan zelf maar kan ook worden uitbesteed aan aannemer/installateur middels een prestatiecontract of kan worden uitbesteed aan een onafhankelijke deskundige. Integreer inspecties NEN 2767 in de MJOP
    • De gemeenten gaan wellicht bij alle verbouwingen de nu hogere RC (isolatie) waarden handhaven. Volgens het Bouwbesluit zouden deze gelijk zijn aan de nieuwbouweis. RC gevel 4,5 en RC dak 6,0. Zou het niet veel handiger en praktischer zijn om dezelfde gemiddelde waarde te halen over de gehele bestaande woning plus aanbouw?
    • Gemeenten moeten zich beraden op de komende privatisering van de bouwplantoets en de kwaliteitsborging daarvan. Er bestaat altijd het gevaar van de “slager die zijn eigen vlees keurt”.
    • Er wordt te weinig aandacht besteed aan wateraccumulatie op platte daken en de daaraan verbonden hoge risico’s.
    • Let bij verbouwing van bestaande panden ook op de handhaving van stabiliteitselementen en betrek hier dus op tijd een constructeur bij.
    • Hoe beoordeel ik stabiliteit van gebouwen.
    • Hoe controleer ik berekeningen gemaakt met software waarvan de uitvoer nauwelijks inzichtelijk is (vertrouwt men te veel op de software?)
    • Waar moet ik op letten bij vloer-wapeningscontrole op de bouw, leidingen, etc.
    • Welke nieuwe duurzaamheidsconcepten zijn er relatie met subsidies (MIA, Vamil, EIA & MPG).
    • Private kwaliteitsborging wordt een alternatief voor de gemeentelijke bouwplantoetsing aan het bouwbesluit en het toezicht op de uitvoering. Wat betekent dit voor de dagelijkse praktijk in de ogen van gemeentelijke functionarissen?
    • Herbestemming in het kader van bouwregelgeving, met name de onderdelen veiligheid en gezondheid. Hoe gaan gemeenten om met de interpretatie van de regelgeving en hoe wordt het rechtens verkregen niveau vastgesteld?
    • Milieurichtlijnen/convenanten, duurzame ontwikkelingen stimuleren met behulp van GPR en/of BREEAM. Graag een toelichting op de instrumenten.
    • Bodemonderzoek, bepalen van de nulsituatie in de voorbereidingsfase van projecten.
    • Het bouwbesluit wordt onterecht als belemmerend ervaren. Lang niet alle mogelijkheden uit het bouwbesluit worden benut. Het Bouwbesluit schrijft slechts voor dat het gebouw energiezuinig, (brand)veilig, gezond en bruikbaar moet zijn.
    • Doelmatiger onderhoud gebouwde omgeving. Denk hierbij ook aan probleemwijken, slapende Verenigingen van Eigenaren, oude industrieterreinen, waarbij de gemeente soms voortrekkersrol op zich neemt.
    • Verder beperken van energieverbruik gebouwde omgeving (duurzaam ontwerpen en beheren)
    • Samenwerking en integratie in de bouw d.m.v. BIM (Building Information Model) is zeer interessant voor overheden: interactief gebouwmodel is snel te checken i.v.m. vereisten omgevingsvergunning. Maar denk ook aan beheer eigen gebouwvoorraad.
    • Hoe wordt de omgevingsvergunning in de praktijk ervaren? Wat kan er simpeler en doelmatiger?
    • Kunnen we plantoetsing meer doen op basis van constructief inzicht en minder op controle van computerprogramma’s?
    • Bij aardgas-gestookte cv-ruimten is een plofluik alleen vaak onvoldoende.
    • Digitaal archief bouwtekeningen laten beheren door vakdeskundig bureau levert besparing van menskracht, ruimte en energie op.
    • Voldoen aan zorgplicht voor objecten door risicogestuurde inspecties.
    • Eerder inschakelen van constructeur voorkomt technische en financiële problemen tijdens bouw.
    • Constructieve veiligheid en functionaliteit bij platte daken (problemen met water op platte daken), gevels, galerijvloeren en instortende balkons.
    • EPC – geen controle achteraf. Handhaving van EPC-berekeningen gebeurt niet. Gaat de invoering van verplichte EPC van 2015 naar 2020?
    • Wanneer zijn MER-rapportages zinloos en overbodig?
  5. Slotronde en afsluiting
    Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.
Integrale veiligheid en openbare orde
apr 11 @ 13:30 – 17:00

Intervisiebijeenkomst integrale veiligheid en openbare orde

Woensdag 21 maart 2018
Inloop vanaf 13.00 uur – aanvang stipt om 13.30 uur – einde om 17.00 uur

Voor gemeentelijke functionarissen
Met medewerking van vakdeskundige adviseurs
Locatie: Amersfoort

Programma

  1. Ontvangst met koffie / thee
  2. Opening door de dagvoorzitter
    De gemeente heeft de regierol bij het ontwikkelen van veiligheidsbeleid. Ze zorgt voor afstemming tussen de verschillende partijen die betrokken zijn bij het veiligheidsbeleid en voert de regie over de verschillende maatregelen. Daarnaast zorgt de gemeente dat de maatregelen beleidsmatig worden ingebed. Veel gemeenten hebben inmiddels een integraal veiligheidsplan of werken er aan. Het Kernbeleid Veiligheid (VNG) biedt gemeenten een stappenplan om te komen tot zo’n IVP. Daarnaast biedt het Kernbeleid Veiligheid een handige indeling van de veiligheidsonderwerpen die een plaats dienen te vinden in het IVP. De indeling bestaat uit vijf veiligheidsvelden. Deze bijeenkomst gaat uit van dezelfde indeling.Vanuit gemeenten, bedrijven en andere organisaties zijn vraag- en aandachtspunten aangedragen voor de agenda van deze bijeenkomst. Ze staan op de inventarisatielijst (punt 4) van deze agenda. De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij zelf aan de orde willen stellen, onder meer uit deze lijst. Maar niet alle op de lijst geplaatste aandachtspunten worden besproken, doch alleen de door de aanwezigen te kiezen aandachtspunten en vraagpunten. Dat kunnen overigens ook punten zijn die niet op de inventarisatielijst staan !
    Tijdens de bijeenkomst zullen deze problemen grondig worden behandeld, gebruikmakend van praktische ervaringen en gebruikmakend van de expertise van externen.
  3. Tot bij aanvang van de bijeenkomst kunnen nog vraag- en probleempunten worden geagendeerd m.b.t. de volgende relevante hoofd-thema’s:
    • Veilige woon- en leefomgeving (bijvoorbeeld overlast, veel voorkomende criminaliteit zoals inbraken en diefstal, voertuigcriminaliteit en het onveiligheidsgevoel).
    • Bedrijvigheid en veiligheid, (veilig ondernemen, veilige winkelcentra, veilig uitgaan en veilige evenementen).
    • Jeugd en veiligheid (jeugdoverlast, jeugdgroepen, alcohol en drugsgebruik, veiligheid in en om de school).
    • Fysieke veiligheid (rampenbestrijding en crisisbeheersing, brandveiligheid, gevaarlijke stoffen).
    • Integriteit en veiligheid (bestuurlijke aanpak georganiseerde criminaliteit, veilige publieke taak (VPT), polarisatie en radicalisering).
  4. Bespreking van vraagpunten en aandachtspunten die door gemeenten en bedrijven de afgelopen tijd zijn ingediend (tijdens de bijeenkomst wordt gekozen welke punten worden besproken en kunnen door de aanwezigen ook nieuwe punten worden ingebracht):
    • Betekent het Keurmerk Veilig Ondernemen-B een afname van criminaliteit op bedrijventerreinen? Welke maatregelen werken echt.
    • Gemeenten vormen een belangrijke schakel bij de toepassing van het barrièremodel tegen criminele activiteiten. Welke waarde hebben instrumenten als de APV, bestemmingsplannen en de Wet Bibob.
    • Met behulp van buitengewoon opsporingsambtenaren pakt een gemeente de overlast door jeugd en jongeren aan. De jeugdboa’s worden met een speciale training voorbereid op de omgang met jongeren. Ze leven zich in, maar hebben ook handhavingsbevoegdheden, net als een reguliere boa.
    • Zuid-Limburgse gemeenten achten het noodzakelijk de buitengewoon opsporingsambtenaren incidenteel in te kunnen zetten op elkaars grondgebied. Dit zorgt voor adequatere opsporing en handhaving.
    • Maar liefst twee derde van de burenruzies wordt via buurtbemiddeling opgelost.
    • Zijn er succesvolle voorbeelden van interventies waarin de zelfredzaamheid en participatie van burgers centraal staan?
    • Een aantal gemeenten heeft camera’s voor extra toezicht. Na de inzet van cameratoezicht nam het aantal veiligheids- en leefbaarheidsincidenten af, terwijl de ‘meldingen openbare ruimte’ toenamen.
    • Het opstellen en uitvoeren van een convenant of beheerplan kan de drugs-overlast beperken. De totale ervaren overlast neemt overigens vaak af door dergelijke opvangvoorzieningen.
    • Bij het organiseren van vergunningverlening bij evenementen: van de vergunningaanvraag tot en met het plaatsvinden en evalueren van het evenement, spelen de volgende vragen: wat moet er geregeld worden? Wat kan de gemeente van partners verwachten en hoe houdt de gemeente de regie op het proces? Het (integraal) adviseren van de hulpdiensten (politie, brandweer en GHOR) aan de gemeente bij een evenement.
    • Door middel van de collectieve horecaontzegging kunnen horecagelegenheden zelf geweldplegers uit hun zaak weren.
    • Ervaringen met kanjertraining tegen geweld op school.
    • De 36 zogenoemde centrumgemeenten voeren al jarenlang een huiselijk geweldbeleid. Daar is veel kennis en ervaring voorhanden, waar niet-centrumgemeenten van kunnen profiteren.
    • Goede burgerinitiatieven op het gebied van huiselijk geweld. Enkele wijken in grote steden ondersteunen bijvoorbeeld al jaren de inzet van vertrouwenspersonen in de wijk.
    • Verschillende gemeenten faciliteren mentale en fysieke weerbaarheidstrainingen voor leerlingen op scholen. Weerbare kinderen zullen eerder aan de bel trekken als ze slachtoffer dreigen te worden van huiselijk geweld, seksueel geweld of pesten.
    • Hoe om te gaan met overlastgevende, hinderlijke en criminele jeugdgroepen.
    • Veiligheidsbeleving in specifieke situaties kan verbeterd worden door verschillende strategieën toe te passen, zoals verminderen van onveiligheid, versterken van veiligheid, publiek leiderschap. Bij elke strategie zijn er tactieken waarmee de veiligheidsbeleving kan worden beïnvloed. Per situatie wordt bepaald welke tactiek(en) het beste is.
    • Hoe kun je het veiligheidsgevoel verbeteren? Treed snel en zichtbaar op tegen signaalcriminaliteit en signaaloverlast. Richt je op een klein gebied. Betrek bewoners actief bij de aanpak. Investeer in de mensen, de huizen en de buitenruimte. Communiceer op maat.
    • Informatie Actie Analyse (IAA) model, brengt op systematische wijze de overlastbeleving van burgers en overheid in beeld. Ervaringen?
    • Luisteren naar bewoners en ook (uitvoerende) professionals geeft een gedifferentieerd beeld van de (overlast) situatie. Veelal is het gemeentelijke normenkader leidend – waardoor bewoners mogelijk niet serieus worden genomen. Bijvoorbeeld: “Er zijn vijf veegmomenten in die wijk, dus er is helemaal geen overlast”.
    • Het betrekken van bewoners bij een (integrale) aanpak zorgt voor een breed draagvlak en stimuleert burgerkracht. Door op systematische wijze een gezamenlijk proces (bewoners en professionals te doorlopen ontstaat al in de beginfase draagvlak voor een oplossing/aanpak.
    • Het thema overlastbeleving hangt nauw samen met het thema onveiligheidsgevoelens.
    • Gemeenten, horecaondernemers en politie kunnen samen de veiligheid in een uitgaansgebied verbeteren.
    • We zoeken effectieve en veelbelovende aanpakken die de veiligheid in het uitgaansleven helpen bevorderen.
    • Een gemeente biedt graffitispuiters legale plekken om hun werk te vertonen. Tegelijkertijd krijgen pandeigenaren een schoonmaakabonnement aangeboden. De graffitispuiters houden hun eigen werk schoon. De aanpak is succesvol omdat met beperkte middelen successen worden behaald. De aanpak kan eenvoudig worden overgenomen en is niet duurder dan het continu verwijderen van graffiti.
    • In een regio wordt de schade consequent op daders verhaald. Hiermee worden twee signalen afgegeven: We laten de gemeenschap niet voor de kosten opdraaien. Zie zelf wat deze zinloze actie kost, wees je daarvan bewust. Het verhalen van schade kost meestal meer dan het oplevert. Het zal geen bron van inkomsten worden. De winst zit hem in het preventieve (waarschuwende) karakter.
    • Ernstig Overlastgevende Gezinnen (EOG): De aanpak in een gemeente richt zich op overlastgevende gezinnen met politie- en justitiecontacten. Is dit een veelbelovende systeemgerichte, integrale aanpak?
    • Bij het invoeren van het KVO-W neemt de criminaliteit gemiddeld met 15 procent af. De onveiligheidsgevoelens bij ondernemers nemen vaak tot 40 procent af. Dit blijkt uit de ervaring die is opgedaan in ongeveer 400 winkelgebieden die al met het KVO-W werken. Een belangrijke succesfactor is een toename van het wederzijds begrip tussen partijen. De partners bepalen samen wat mogelijk en wat onmogelijk is. Daardoor wordt geïnvesteerd in die maatregelen die echt werken.
    • Het Politiekeurmerk Veilig Wonen is een bewezen effectief instrument tegen woninginbraak. Toepassing van het PKVW leidt tot een afname van het aantal inbraken tussen 50 en 90 procent. Er is een onderscheid tussen PKVW Nieuwbouw en Bestaande bouw. De eisen voor de nieuwbouw betreffen bijvoorbeeld ook de directe woonomgeving.
    • Inzet van Burgernet helpt de heterdaadkracht van de politie te vergroten. Een Hotspotaanpak, zoals in een regio, leidt tot succes.
    • Een buurtschouw met politie en bewoners. Het doel hiervan is het opsporen van risicovolle plekken en elementen waarna maatregelen kunnen worden getroffen. Welke zijn succesvol gebleken.
    • Het verspreiden van ‘besmettingsbrieven’ met preventietips in buurten waar woninginbraken plaatsvinden. De ontvankelijkheid voor informatie en bereidheid tot actie is groter als het risico dichterbij komt.
    • Regionale samenwerking. Gemeenten kunnen elkaar ondersteunen.
  5. Slotronde en afsluiting
    Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.

Binnen 2 weken wordt een compleet verslag aan alle aanwezige deelnemers toegezonden, vergezeld van een deelnemerslijst en concreet toepasbare aanbevelingen.

apr
24
di
2018
Intervisiebijeenkomst onderwijshuisvesting
apr 24 @ 09:30 – 13:00

Intervisiebijeenkomst onderwijshuisvesting

Dinsdag 17 april 2018 – 09.30 tot 13.00 uur

Voor gemeentelijke functionarissen
Met medewerking van bouwadviesbedrijven in het maatschappelijk vastgoed
Locatie: Amersfoort

Agenda

  1. Ontvangst met koffie / thee
  2. Opening door de dagvoorzitter
    Overheveling budgetten buitenonderhoud scholen, Duurzaamheid gebouwen (BREEAM), doordecentralisatie budget onderhoud scholen, regelgeving onderwijshuisvesting, duurzaam beheer en onderhoud, meerjaren-onderhoud (MJOP – costs of ownership), Brede school, langetermijnvisie huisvesting, overdracht schoolgebouwen en -terreinen aan bevoegd gezag, brand- en constructieve veiligheid, aanbesteding (EMVI) en contractvorming – duurzaam inkopen, energieprestaties, geluid-isolatie, klimaat en akoestiek, leegstand, herbestemming en renovatie, eigendom en beheer Multifunctionele Accommodaties (MFA).
  3. Tot bij aanvang van de bijeenkomst kunnen nog vraag- en probleempunten worden geagendeerd m.b.t. de volgende relevante thema’s in het (gemeentelijk) vastgoed:
    Duurzaam inkopen en maatschappelijk verantwoord ondernemen – algemeen, milieu-aspecten en energiezuinigheid, sociale aspecten; Social Return on Investment, MVO-stimulering, verduurzaming bedrijfsvoering, EMVI, ISO 26000 (kwaliteitsnorm maatschappelijk verantwoord ondernemen)
  4. Door gemeenten zijn in de afgelopen periode de volgende vraag- en aandachtspunten ingebracht:
    • Als gevolg van krimp neemt het aantal leerlingen af en de leegtand toe. In de praktijk blijkt dat schoolbesturen eerder voor de concurrentieslag kiezen dan voor samenwerking. Daar waar gemeente kiest voor instandhouding onderwijsvoorzieningen verspreid over de gemeente, kiezen schoolbesturen voor instandhouding zonder spreiding.
    • Scholen worden zaalverhuurders en concurreren met andere aanbieders van maatschappelijke voorzieningen. De gemeente zoekt naar een rol en naar mogelijkheden om leegstand actief te helpen verminderen.
    • Wij mogen Integrale Kindcentra in nieuwbouwsituaties realiseren. Maar de kinderopvangpartners redden dat niet en gaan financieel telkens kopje onder. We zijn nu de afweging aan het maken of we zullen kiezen voor leegstand of een kindopvangpartner zullen toelaten tegen een lagere huur. Met een negatieve exploitatie en een verlies voor de gemeente op de koop toe.
    • We hebben te veel verouderde gebouwen en leegstand. Tegelijkertijd zijn er wensen tot nieuwbouw van multifunctionele gebouwen.
    • Gemeente en schoolbesturen hebben een plan ontwikkeld voor vernieuwbouw van 2 basisscholen en 1 speciale basisschool. De gemeente heeft duurzaamheidsambities die niet passen bij het beschikbaar gestelde krediet. Daarnaast is de verantwoordelijkheid voor het buitenonderhoud per 1-1-2015 naar schoolbesturen gegaan. We willen tot een optimale brede school komen.
    • We zoeken naar ervaringen en adviezen m.b.t. circulair bouwen. Zowel nieuwbouw als renovatie/groot onderhoud.
    • In het kader van bezuinigingen worstelen we vrijwel constant met de afweging tussen renovatie en nieuwbouw.
    • Ik heb moeite om bij interne opdrachtgevers en bestuur helder te maken dat refurbished of hergebruik heel goed mogelijk is.
    • Moeten we bouwdelen afstoten of leeg laten staan? We kampen met leegstand van schoolgebouwen terwijl andere scholen die juist ruimte tekort komen, niet van zins zijn bij de andere school in te trekken. We zoeken naar mogelijkheden om deze patstelling te doorbreken.
    • We zitten met een doorgedecentraliseerd schoolbestuur in een overgangsfase waarin we de afweging moeten maken of we dit schoolbestuur nog zullen moeten helpen met een gemeentegarantie om financiering mogelijk te maken (geen risicovolle lening).
    • Hoe krijg ik een EMVI-aanbesteding SMART (specifiek, meetbaar, realistisch en tijdgebonden)? Ik heb het gevoel dat er vaak subjectief wordt beoordeeld in plaats van objectief. We zoeken naar praktisch toepasbare voorbeelden van objectieve en SMART-criteria.
    • We merken dat nogal eens extra schoollokalen worden gebruikt buiten de opgegeven norm om. We overwegen om huur te gaan vragen of een bruikleenvergoeding.
    • We willen leegstand terugdringen en dus met de externe partners (schoolbesturen) komen tot efficiënt gebruik van de lokalen / ruimten op scholen. We hebben daarbij echter te maken met verschillende belangen van de verschillende schoolbesturen wat in de praktijk leidt tot problemen.
    • De overdracht van schoolgebouwen richting schoolbesturen loopt moeizaam. Een meting volgens NEN 2767 (nulmeting) is in ieder geval de basis.
    • Invulling / herontwikkeling van leeggekomen schoolgebouwen. Er is in de markt vaak weinig interesse voor. Maar ga je dan voor sloop en herontwikkeling van het perceel of geef je het een maatschappelijke functie waaraan veel kosten zijn verbonden en vraagstukken als verantwoording voor het beheer ? Ik overweeg een ontwikkelende aannemer erbij te betrekken.
    • We willen scholen renoveren maar treffen daarbij vaak asbest aan. We willen de gebouwen bovendien late voldoen aan de moderne onderwijseisen.
    • We merken dat scholen zich bewust zijn van de overgang van bepaalde verantwoordelijkheden per 1-1-2015 (buitenonderhoud) en daardoor hebben we de laatste tijd te maken met discussies over gemaakte afspraken tot eind 2014, waarschijnlijk omdat men zich niet volledig bewust is geweest van de gevolgen van de wijzigingen per 1-1-2015.
    • Hoe gaan we om met scholen die ongebreideld groeien (“iedereen is welkom”-beleid) versus scholen met een beetje leegstand en/of scholen met wachtlijsten in een beperkt krimpende markt?
    • Er is weerstand t.a.v. medegebruik en er zijn vaak verschillen in vierkante meters op papier en in werkelijkheid. We zoeken naar juridische mogelijkheden als gemeente om beslissingen te kunnen forceren.
    • We hebben leegstand in schoolgebouwen. We zoeken naar oplossingen zowel in het gemeentelijke accommodatiebestand alsook andere invullingen.
    • We zoeken naar herbestemmingsmogelijkheden voor leegstaande schoolgebouwen. We hebben nu al veel lege lokalen en binnenkort een compleet leegstaande school.
    • Hoe om te gaan met leegstand in schoolgebouwen a.g.v. krimp? Bijvoorbeeld herbestemming, verhuur, kosten, prognoses langere termijn die onzeker zijn.
    • We verhuren graag ruimte aan kinderopvangorganisaties. Het is gunstig en gewenst voor de brede scholen. Bij nieuwbouw van scholen investeert de gemeente in ruimte voor kinderopvang tegen kostendekkende huur. Nu er meer leegstand is, wordt het aantrekkelijker om goedkoop te huren bij bestaande scholen. Dat doorkruist het bestaande beleid. Ons doel is: een transparante en eerlijke wijze van huisvesting van kinderopvang bij scholen.
    • Er is veel onduidelijkheid over de WOZ-waarde van incourant vastgoed
    • Wat is in geval van kostprijs-dekkende huurberekeningen de basis: boekwaarde of WOZ of marktwaarde?
  5. Slotronde en afsluiting
    Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.
Maatschappelijk vastgoed
apr 24 @ 13:30 – 17:00

Intervisiebijeenkomst maatschappelijk vastgoed
(leegstand, herbestemming, beheer, onderhoud en aanbesteden)

Dinsdag 17 april 2018 – 13.30 tot 17.00 uur

Voor gemeentelijke functionarissen
Met medewerking van bouwadviesbedrijven in het maatschappelijk vastgoed

Programma

  1. Ontvangst met koffie / thee
  2. Opening door de dagvoorzitter
    De bijeenkomst is uitsluitend gebaseerd op specifieke aansprekende praktijkvoorbeelden van de initiatiefnemers en deelnemers.
    De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij aan de orde willen stellen, onder meer uit de inventarisatielijst zoals genoemd onder programmapunt 4.
    Tijdens de bijeenkomst zullen deze problemen grondig worden behandeld, middels praktische intervisie met elkaar en met aanwezige vakdeskundigen uit de bouwadviesbranche. Doelstelling: verkrijging van handvatten voor het maken van keuzes. Men geeft elkaar tips voor kwaliteitsverbetering, risicoreductie en zelfs kostenreductie. Gebleken is dat gemeenten en andere partijen in het maatschappelijk en gemeentelijk vastgoed daar erg veel baat bij kunnen hebben.
  3. Tot bij aanvang van de bijeenkomst kunnen nog vraag- en probleempunten worden ingebracht m.b.t. de volgende relevante thema’s in het maatschappelijk vastgoed:
    • Duurzaamheid gebouwen (BREEAM);
    • Monumenten;
    • Duurzaam beheer en onderhoud, meerjaren-onderhoud (MJOP – costs of ownership);
    • Brand- en constructieve veiligheid;
    • Toepassing bouwbesluit en (Nederlandse en Europese) uitvoeringsnormen;
    • Aanbesteding (EMVI) en contractvorming – duurzaam inkopen;
    • Energieprestaties, geluid-isolatie, klimaat en akoestiek;
    • Omgevingsrecht;
    • Privatisering van de bouwplantoets;
    • Leegstand, herbestemming en renovatie;
    • Multifunctionele Accomodaties (MFA);
    • BRIS (Bouwregelgeving Informatie Systemen);
    • Regelgeving onderwijshuisvesting;
    • Uitbesteden van vastgoedtaken;
    • Overheveling budgetten buitenonderhoud scholen;
    • Zorgvastgoed en voorzieningen;
    • Van kosten- naar waardesturing.
  4. Door gemeenten en bedrijven zijn vooraf de volgende concrete vraag- en aandachtspunten ingediend:
    • Door digitale oplossingen lijkt het allemaal sneller te kunnen maar de praktijk logenstraft dit. In de praktijk kost het bijvoorbeeld 2 weken om een e-herkenning / login te verkrijgen voordat je een formulier mag / kan indienen bij een Omgevingsloket.
    • Ondanks het gegeven dat de wetgeving rond hergebruik en naders bestemmen van leegstaand vastgoed sinds november 2014 is verruimd, blijkt het nog steeds lastig om een goede herbestemming te realiseren. Ontwikkelaars, toekomstige gebruikers, eigenaren en vergunningverleners zullen samen oplossingen moeten blijven bedenken.
    • Het zou fijn zijn om vooraf met gemeenten te kunnen brainstormen over nieuwe invulling van leegstaand of binnenkort leegstaand onroerend goed en op die manier met open vizier samen met elkaar zaken op te pakken met een grote kans op succes en een open BIM-model.
    • Slopen wordt te snel gekozen als optie bij incourante panden terwijl het budget van de sloopkosten beter gebruikt kan worden om herinvulling van de panden te realiseren door marktpartijen.
    • Gemeenten zouden kunnen overwegen om op een meer transparante wijze (niet middels aanbesteding) het onderhoud en beheer van gemeentelijke gebouwen voor langere tijd uit te besteden (mogelijk middels resultaatverplichting). Denk hierbij ook aan energetische aspecten.
    • Op welke wijze worden leegstaande maatschappelijke panden gewaardeerd? Op basis van huidige bestemming of op basis van toekomstige waarde met mogelijke bestemmingswijziging?
    • Door de adviseur/constructeur eerder te betrekken bij plannen kan er mogelijk sneller en zonder al te veel aanpassingen tot het gewenste resultaat worden gekomen. Men kan eerder alternatieven aandragen en er is eerder terugkoppeling naar de eisen van het Bouwbesluit.
    • Gemeenten moeten zich beraden op de komende privatisering van de bouwplantoets en de kwaliteitsborging daarvan. Er bestaat altijd het gevaar van de “slager die zijn eigen vlees keurt”.
    • Er wordt te weinig aandacht besteed aan wateraccumulatie op platte daken en de daaraan verbonden hoge risico’s.
    • Is het faciliteren van maatschappelijk vastgoed een taak van de overheid? Sommige gemeenten hebben het uit elkaar getrokken; de financiering (subsidie) en het gebruik. Basisvoorwaarde is helder gemeentelijk beleid waarna de markt kan worden geconsulteerd en ingeschakeld.
    • We werken met rondetafelgesprekken vastgoed waarbij de afdelingen Vastgoed, Ruimte, Beheer, Beleid, Dorpen en Wijken e.d. aanwezig zijn. Zo wordt vanuit elke invalshoek optimaal gecoordineerd en dat levert tijdwinst, geldbesparing en betere kwaliteit op.
    • Op basis waarvan vervang je houten kozijnen? De MJOP houdt 40 jaar aan voor het vervangen, maar kozijnen gaan minder lang of juist langer mee. Een NEN 2767 conditiemeting is een oplossing. De schilder staat alleen garant voor het eigen werk en niet voor eerdere herstellingen. Is het handig om herstellingen blijvend te inventariseren ten behoeve van besluitvorming?
    • Let bij verbouwing van bestaande panden ook op de handhaving van stabiliteitselementen en betrek hier dus op tijd een constructeur bij.
    • Het traditionele bestek en de traditionele aanbesteding leiden niet tot een optimaal gebouw en veroorzaken hoge bouwkosten en faalkosten. Nieuwe samenwerkingsvormen zijn productiever maar vragen wel om vertrouwen in elkaar. Met deze werkwijze worden akoestiek, brandveiligheid, binnenmilieu en duurzaamheid beter in het gebouw geïntegreerd.
    • Innovatieve aanbestedingen. Consortium vóór opdrachtverlening? DBFM als nieuwe trend.
    • Gemeenten budgetteren niet langjarig.
    • Hoe om te gaan met EMVI (Economisch Meest Voordelige Inschrijving). Door een willekeur aan aandachtspunten van de diverse gemeenten weten velen niet meer waar de focus ligt. Welke criteria zijn nu echt belangrijk als het gaat om verantwoord en duurzaam inkopen?
    • Is het zinvol om aanvullende voorwaarden te stellen (bovenop de UAV) ?
    • Bij offertes wordt uitsluitend gelet op realisatiekosten en te weinig op exploitatiekosten. Hierdoor is het ontwikkelen van duurzame energiegebouwen vrijwel onmogelijk.
    • Inkoop en onderhoud binnen gemeente zouden vaker met elkaar moeten overleggen.
    • Is er tijdens of na een aanbesteding geen bouwteam meer mogelijk?
    • Goed opdrachtgeverschap houdt onder meer in: kennis van zaken, zo min mogelijk schotten, bouwteams (in renovatie).
    • Inventarisatie van nieuwe methoden van kostenbeheersing en kwaliteitsbewaking tijdens de voorbereiding en de uitvoering van bouwprojecten.
    • Contractduur voor 5 jaar verdient niet de voorkeur.
    • Echte innovatieve duurzaamheid moet je binnen een vertrouwensrelatie organiseren.
    • Hoe beoordeel ik stabiliteit van gebouwen.
    • Hoe controleer ik berekeningen gemaakt met software waarvan de uitvoer nauwelijks inzichtelijk is (vertrouwt men te veel op de software?)
    • Waar moet ik op letten bij vloer-wapeningscontrole op de bouw, leidingen, etc.
    • Welke nieuwe duurzaamheidsconcepten zijn er (relatie met subsidies MIA, Vamil, EIA & MPG).
    • Private kwaliteitsborging wordt een alternatief voor de gemeentelijke bouwplantoetsing aan het bouwbesluit en het toezicht op de uitvoering. Wat betekent dit voor de dagelijkse praktijk in de ogen van gemeentelijke functionarissen?
    • Herbestemming in het kader van bouwregelgeving, met name de onderdelen veiligheid en gezondheid. Hoe gaan gemeenten om met de interpretatie van de regelgeving en hoe wordt het rechtens verkregen niveau vastgesteld?
    • Milieurichtlijnen/convenanten, duurzame ontwikkelingen stimuleren met behulp van GPR en/of BREEAM. Graag een toelichting op de instrumenten.
    • Bodemonderzoek, bepalen van de nulsituatie in de voorbereidingsfase van projecten.
    • Milieuprestaties van bouwmaterialen is een ondergeschoven kindje.
    • Herbestemmen van leegstaande gebouwen – wat houdt ons tegen?
    • Het bouwbesluit wordt onterecht als belemmerend ervaren. Lang niet alle mogelijkheden uit het bouwbesluit worden benut. Het Bouwbesluit schrijft slechts voor dat het gebouw energiezuinig, (brand)veilig, gezond en bruikbaar moet zijn.
    • Doelmatiger onderhoud gebouwde omgeving. Denk hierbij ook aan probleemwijken, slapende Verenigingen van Eigenaren, oude industrieterreinen, waarbij de gemeente soms voortrekkersrol op zich neemt.
    • Verder beperken van energieverbruik gebouwde omgeving (duurzaam ontwerpen en beheren)
    • Samenwerking en integratie in de bouw d.m.v. BIM (Building Information Model) is zeer interessant voor overheden: interactief gebouwmodel is snel te checken i.v.m. vereisten omgevingsvergunning. Maar denk ook aan beheer eigen gebouwvoorraad.
    • Hoe wordt de omgevingsvergunning in de praktijk ervaren? Wat kan er simpeler en doelmatiger?
    • Kunnen we plantoetsing meer doen op basis van constructief inzicht en minder op controle van computerprogramma’s?
    • Bij aardgas-gestookte cv-ruimten is een plofluik alleen vaak onvoldoende.
    • Digitaal archief bouwtekeningen laten beheren door vakdeskundig bureau levert besparing van menskracht, ruimte en energie op.
    • Voldoen aan zorgplicht voor objecten door risicogestuurde inspecties.
    • Integrale aanpak van het ontwerpen, beoordelen en uitvragen van een bouwwerk.
    • Hoe kunnen we energie meer integraal aanpakken?
    • Hoe optimaliseren we de gebouwenvoorraad in een krimpregio?
    • Wat zijn de resultaten van de stichting “Achterhoek Duurzaam Verbouwen”?
    • Riolen – instortingsgevaar in oudere gemeenten.
    • Welke stimuleringsregelingen zijn er voor het BREEAM-keurmerk voor duurzame gebouwen.
    • Wat zijn de ervaringen met verzelfstandiging van vastgoedorganisaties, regionale samenwerking en burgerparticipatie?
    • Eerder inschakelen van constructeur voorkomt technische en financiële problemen tijdens bouw.
    • Constructieve veiligheid en functionaliteit bij platte daken (problemen met water op platte daken), gevels, galerijvloeren en instortende balkons.
    • Er moet maatschappelijk vastgoed worden afgestoten – er is een overschot.
    • EPC – geen controle achteraf. Handhaving van EPC-berekeningen gebeurt niet. Gaat de invoering van verplichte EPC van 2015 naar 2020?
    • Wanneer zijn MER-rapportages zinloos en overbodig?
  5. Slotronde en afsluiting
    Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.

Binnen 2 weken wordt een compleet verslag aan alle aanwezige deelnemers toegezonden, vergezeld van een deelnemerslijst en concreet toepasbare aanbevelingen.

mei
31
do
2018
Intervisiebijeenkomst Werk en Inkomen
mei 31 @ 09:30 – 13:00

Intervisiebijeenkomst Werk en Inkomen

Donderdag 31 mei 2018
Inloop vanaf 09.00 uur – aanvang stipt om 09.30 uur – einde om 13.00 uur

Voor gemeentelijke functionarissen
Met medewerking van reïntegratiebedrijven en andere marktpartijen
Mede ten behoeve van brancheorganisaties in het sociaal domein
en op het terrein van werk, loopbaan en vitaliteit

Programma

  1. Ontvangst met koffie / thee
  2. Opening door de dagvoorzitter
    Voor gemeenten is het cruciaal dat zij adequate financiering ontvangen om het grote maatschappelijke vraagstuk aan de onderkant van de arbeidsmarkt op te kunnen pakken. Op dat vlak stapelen de knelpunten zich op. Want de middelen bedoeld om werkzoekenden te begeleiden naar en op het werk zijn in een paar jaar tijd met tweederde gekrompen. In diezelfde periode is de groep bijstandsgerechtigden met 60% gegroeid. Bovendien is de doelgroep door de economische crisis en de decentralisatie van een deel van de Wajong naar gemeenten sterk veranderd. Een steeds groter deel van de bijstandsgerechtigde heet (veel) ondersteuning nodig om aan het werk te komen en een deel van deze groep heeft intensieve (en soms zelfs blijvende) ondersteuning nodig om aan het werk te blijven (loonkostensubsidie om de werkgever te compenseren voor de verminderde productiviteit, jobcoaching, etc. Daarnaast kampen inmiddels veel gemeenten met grote tekorten op de BUIG (budget voor de uitkeringen).

    Vanuit gemeenten en onder meer de reïntegratiebranche zijn vraag- en aandachtspunten aangedragen voor de agenda van deze bijeenkomst. Ze staan op de inventarisatielijst (punt 4) van deze agenda. De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij zelf aan de orde willen stellen, onder meer uit deze lijst. Maar niet alle op de lijst geplaatste aandachtspunten worden besproken, doch alleen de door de aanwezigen te kiezen aandachtspunten en vraagpunten. Dat kunnen overigens ook punten zijn die niet op de inventarisatielijst staan !
    Tijdens de bijeenkomst zullen deze problemen grondig worden behandeld, gebruikmakend van praktische ervaringen.

  3. Tot bij aanvang van de bijeenkomst kunnen nog vraag- en probleempunten worden geagendeerd m.b.t. de volgende relevante hoofd-thema’s:
    • Armoedebeleid en schuldhulpverlening
    • Financiën werk en inkomen
    • Decentralisaties sociaal domein
    • Suwinet en handhaving, fraudewet / arbeidsverplichting
    • Participatiewet / social return in aanbestedingen
    • Experimenten met soepeler bijstand
    • Bijstand zelfstandigen, Wajong en Wsw
    • Arbeidsmarktbeleid, samenwerking met de markt en met de reïntegratiebranche
    • Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt
  4. Bespreking van vraagpunten, aandachtspunten en kritiekpunten die door gemeenten, reïntegratiebedrijven en andere marktpartijen de afgelopen tijd zijn ingediend (tijdens de bijeenkomst wordt gekozen welke punten worden besproken en kunnen door de aanwezigen ook nieuwe punten worden ingebracht):
    • Een overzicht van actuele praktijkervaringen met uitstroomcijfers in onder meer Den Bosch, Eindhoven, Drechtsteden.
    • Wat hebben werkgevers en managers nodig om mensen aan te nemen en in dienst te houden? Contact blijven houden na plaatsing? Inspelen op economische belangen van het bedrijf en de persoonlijke overtuigingen van de manager?
    • Praktijkervaringen met interne uitzendbureaus van gemeenten die snel doorverwijzen naar werk, al tijdens de uitkerings-aanvraagprocedure.
    • Bespreking van experimenten met soepeler bijstand in bepaalde gemeenten.
    • Ervaringen met reïntegratie van doelgroepers in relatie tot de participatiewet
    • Ervaringen met het participatiecertificaat.
    • Ervaringen met testen en trainingen voor het bemiddelingsrijp krijgen van de doelgroepers.
    • Oriëntatie op de arbeidsmarkt van inburgeraars (ONA); samenwerking met Vluchtelingenwerk om inburgeraars het inburgeringsexamen met goed gevolg te laten afleggen.
    • Ervaringen met het bemiddelen en begeleiden van inburgeraars (inzet reïntegratie-activiteiten) in samenwerking met het bedrijfsleven met als doel plaatsing in duurzame dienstverbanden.
    • Samenvoeging van afdelingen / werkbedrijven: omgaan met verandering, nieuwe samenwerking en cultuur; bespreekbaar maken en realiseren van veranderingsprocessen.
    • Samenwerking op de regionale arbeidsmarkt.
    • Het duurzaam inzetbaar en productief houden van medewerkers: kosten baten analyse op investeringen in duurzame inzetbaarheid; verzuimpreventie, coaching en training ten aanzien van veranderingen in taakinvulling en -opvatting (21e eeuwse vaardigheden)
    • Inzicht in individuele arbeidsmarktwaarde medewerker via de Arbeidsmarkt Positie Quotiënt: status individuele inzetbaarheid en proactief loopbaangedrag.
    • De gemeente zou de werkgevers actiever moeten opzoeken. Te denken valt aan regelmatig overleg met lokale of regionale bedrijvenkringen, al dan niet samen met reïntegratiebedrijven. Daarbij moet de gemeente werkgevers uitdagen om buiten de gebaande paden te denken.
    • Het is zinvol dat medewerkers van Sociale Zaken en Economische Zaken gezamenlijk brainstormen over oplossingen. Soms komt ‘de andere kant’ met creatieve oplossingen waar je zelf niet op komt.
    • Reïntegratiebedrijven presenteren zich uitstekend, maar presteren vaak onder de maat. Ze kunnen minder cliënten aan dan beloofd, krijgen te weinig mensen aan de slag en hebben moeite om maatwerk te leveren. Keurmerken blijken in de praktijk vaak een vorm van window dressing te zijn.
    • Sommige reïntegratiebedrijven doen actief aan jobhunting: ze benaderen werkgevers met het verzoek om vacatures niet in de krant te zetten, maar bij het reïntegratiebedrijf te melden. Gemeenten zouden dit als aanbestedingscriterium kunnen hanteren.
    • Elkaar kennen is belangrijk. Gemeenten zouden moeten investeren in duurzame relaties met reïntegratiebedrijven die de specifieke lokale werkgelegenheidssituatie kennen.
    • Onze gemeente beschikt over een geautomatiseerde module voor kans- en risicosturing. Daarmee kan de consulent cliënten ‘afpellen’. Zo kan snel onderscheid worden gemaakt tussen de cliënt die werkelijk psychische problemen heeft c.q. niet weet wat hij/zij wil en de cliënt die niet wil meewerken aan reïntegratie.
    • Onze gemeente hanteert een tweesporenbeleid. Kansrijke werkzoekenden tot 35 jaar die zichzelf kunnen redden krijgen naast hun uitkering ‘bezigheidstherapie’ om hen te stimuleren snel een baan te accepteren. Daarmee komt tijd beschikbaar om kansarme werkzoekenden intensief te begeleiden bij het zoeken naar werk. Deze benadering heeft geleid tot 13 procent meer uitstroom.
    • Werkgevers stellen vaak hoge eisen aan nieuwe werknemers en hanteren vooroordelen ten aanzien van werkzoekenden met een ‘vlekje’. Veel werkgevers laten vacatures nog liever open staan dan dat ze iemand aannemen die niet helemaal aan het gewenste profiel voldoet. Vormen loonkostensubsidies een goede methode om dergelijke cliënten toch aan de slag te krijgen?
    • Loonkostensubsidies kunnen leiden door verdringing van reguliere banen door gesubsidieerde banen. Per geval moet worden bekeken of het redelijk is om het instrument van loonkostensubsidie te hanteren. De gemeente stelt bijvoorbeeld als eis dat de werkzoekende minimaal 35 jaar oud en meer dan 1 jaar werkloos moet zijn.
    • Detachering via een (intern) uitzendbureau met loonkostensubsidie biedt ook mogelijkheden.
    • De gemeente heeft een Stadsbedrijf, waar cliënten onder leiding van een gemeenteambtenaar met subsidie werkervaring kunnen opdoen.
    • De gemeente wil een werkgeversloket creëren onder leiding van een ingehuurde ex-werkgever die de taal van de werkgever spreekt.
    • Gecontracteerde reïntegratiebedrijven maken de verwachtingen niet altijd waar. Daardoor mislukken veel reïntegratietrajecten. Wat zijn de succesfactoren voor samenwerking?
    • Sociale Diensten moeten de regiefunctie op zich nemen. Dat begint met een goede kennis van het cliëntenbestand en de lokale werkgelegenheidssituatie. Casemanagers dienen het cliëntenbestand te vullen met data en regelmatig bestandsanalyses uit te voeren. Pas dan is het mogelijk om de vraag goed te definiëren.
    • Gemeenten zouden producten in plaats van trajecten moeten inkopen, bijvoorbeeld in de vorm van kleinschalige projecten met een duidelijke en valide resultaatsverplichting.
    • Een goede samenwerking staat of valt met de communicatieve en sociale vaardigheden van de reïntegratieadviseur. Gemeenten zouden eerder bij het reïntegratiebedrijf aan de bel moeten trekken als de reïntegratieadviseur niet capabel blijkt.
    • Sommige cliënten hebben al enkele activeringstrajecten en/of diverse afstemmingen (kortingen op de uitkering) achter de rug en blijven weigeren mee te werken. Uit kosten-batenoverwegingen klinkt soms de roep om maar te accepteren dat bepaalde ongemotiveerde cliënten niet meer aan de slag zullen komen.
    • Wanneer zijn projecten als ‘Werk Direct’ zinvol?
    • De uitstroom kan worden bevorderd door kansrijke cliënten een beroepskwalificerende scholing te geven. Dat vereist wel een goede samenwerking met het bedrijfsleven. Het is verstandig om klein te beginnen. In de praktijk biedt het benaderen van (lokale) ondernemersverenigingen vaak meer soelaas dan het benaderen van brancheorganisaties.
  5. Slotronde en afsluiting
    Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.

Binnen 2 weken wordt een compleet verslag aan alle aanwezige deelnemers toegezonden, vergezeld van een deelnemerslijst en concreet toepasbare aanbevelingen.

Intervisiebijeenkomst praktijkervaringen Wmo
mei 31 @ 13:30 – 17:00

Intervisiebijeenkomst praktijkervaringen Wmo

Donderdag 31 mei 2018 – 13.30 tot 17.00 uur

Voor gemeentelijke functionarissen
Mede ten behoeve van brancheorganisaties in de zorg

Programma

  1. Ontvangst met koffie / thee
  2. Opening door de dagvoorzitter
    De bijeenkomst is uitsluitend gebaseerd op specifieke aansprekende praktijkvoorbeelden van de initiatiefnemers en deelnemers. De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij zelf aan de orde willen stellen. Tijdens de bijeenkomst zullen deze problemen grondig worden behandeld, samen met een aantal van de al genoemde onderwerpen onder agendapunt 3, middels praktische intervisie met elkaar en met aanwezige vakdeskundigen.

    • Samenwerking tussen gemeenten onderling en met zorgverleners;
    • Kostenreductie, risicoreductie en kwaliteitsverbetering.
  3. Door gemeenten, zorgverleners en anderen zijn vooraf de volgende concrete vraag- en aandachtspunten ingediend:
    • Samenwerken met aangrenzende gemeenten brengt soms uitkomst maar levert ook nieuwe vragen. Hoe zorg je voor duidelijke sturing, monitoring en verantwoording? Hoe kan kostenverevening helpen om de financiën te beteugelen?
    • Zijn uw sociale wijkteams op volle sterkte? Kunnen zij voldoen aan de hooggespannen verwachtingen omtrent samenwerking, taakverdeling en maatwerk?
    • Veel gemeenten worstelen nog met hun rol als opdrachtgever. Waar knelt het, wat werkt en hoe moet het verder.
    • Zorg als Wmo-raden dat er ook ongevraagde adviezen komen.
    • Wmo-raden moeten deskundig genoeg zijn.
    • Zorg dat er 1 iemand achter de voordeur bij mensen komt. Afstemming in de backoffice.
    • Hulpverlener geeft (zich) maar gaat niet voor de betrokkene zorgen. Wil niets bereiken maar is verbonden. Waar wordt betrokkene blij van?
    • Burgers die de weg niet meer weten te vinden en die angstig zijn door alle veranderingen.
    • Afstemmingsproblemen tussen WLZ, Wmo en zorgverzekering.
    • Nieuwe cliënten weten niet goed waar zich te melden met een ondersteuningsvraag.
    • Zorgmijders melden zich niet bij de gemeente.
    • Wachtlijsten keukentafelgesprekken.
    • Onvoldoende herkenning problematiek cliënten voor juiste indicatie.
    • Te weinig cliëntondersteuners en men heeft te weinig kennis van doelgroep.
    • Wijkteam onvoldoende bekend met doelgroep.
    • Zelfredzaamheid, participatie en eigen verantwoordelijkheid. Hoe beïnvloedt u dit?.
    • Financiële aspecten: subsidiëring, kostprijs versus tarifering, business modelleren.
    • Inzicht in uw werkveld: marktpartijen, samenwerkingspartners, toezichthouders, waar ligt uw verantwoordelijkheid?
    • Hoe creëert u draagvlak binnen uw eigen organisatie en hoe zet u de burger optimaal in zijn of haar eigen kracht?
    • Sturing op resultaten van zorg en ondersteuning door niet meer in te kopen volgens een P*Q model. Inkopen op percelen met een vast bedrag. Aanbieders kunnen inschrijven op een percentage van het perceel. Per kwartaal wordt een deel van het bedrag aan de aanbieders overgemaakt. De gemeente stuurt op resultaten van zorg en ondersteuning op basis van zeven indicatoren, te weten synergie, vakmanschap, bereik, prijs, klanttevredenheid, verantwoordelijkheidsladder en ondersteunen van het netwerk.
    • Burger zo lang mogelijk zelfstandig.
    • De klant staat centraal, niet de organisatie.
    • Van aanbod- naar vraagsturing.
    • Eén loket ipv diverse.
    • De individuele burger integraal ondersteunen bij maatschappelijk participatie van vraag tot aanbod.
    • De toegang faciliteren tot al het aanbod en daarmee integrale keten samenwerking organiseren en faciliteren.
    • Klantgerichte dienstverlening met totaal overzicht en directe toegang tot alle producten en diensten op één adres.
    • Persoonsvolgend budget (PVB): burger kiest zelf.
    • Als de burger een product wenst dat nog niet bestaat, zorgt de gemeente dat het er komt.
    • De vraag van de burger vormt het uitgangspunt bij het financieren van aanbieders.
    • Slechts door sommige gemeenten wordt de creativiteit ten volle benut en wordt een lokale inkoopmethode ontwikkeld. De gemeente Utrecht bijvoorbeeld maakt op basis van de cijfers over de in 2013 en 2014 geboden ondersteuning een individueel voorstel per aanbieder. Ook zijn er nog enkele gemeenten die een subsidierelatie met de aanbieders zijn aangegaan.
    • Heeft de transitie geleid tot vermindering van bureaucratie, fragmentatie en complexe samenwerking?
    • Hoe bieden we ruimte aan de onderstroom van alternatieve systemen die niet door de politiek worden gefaciliteerd of gestructureerd?
    • Talentenbank waar mensen met psychische stoornissen maar ook ouderen wat kunnen doen.
    • Hoe stimuleren we het innovatieve vermogen van beleidsmakers en professionals in de zorg en welzijn?
    • Hoe verhoudt het keukentafelgesprek zich tot inkoop/contractering van zorg en ondersteuning?
    • Hoe maken we onderscheid tussen algemene en maatwerkvoorzieningen?
    • Inzet van informele zorg: hoe leer je als buurtteammedewerker kijken met die informele blik? Wat zijn de (on)mogelijkheden van informele zorg? Wie kan er inzicht bieden in het woud van aanbieders van informele zorg? Waar haal je de juiste vrijwilliger vandaan?
    • Hoe kunt u de prestaties in de jeugdzorg meten en sturen op kwaliteit?
    • Kunt u als gemeente maatwerk bieden met de Participatiewet?
    • Veel klachten over de informatievoorziening vanuit de gemeente en over het uitblijven van een beslissing op de aanvraag.
    • Bij sociale wijkteams en medewerkers die het keukentafelgesprek voeren is vaak te weinig kennis aanwezig. Ook onafhankelijke cliëntondersteuners hebben die kennis vaak niet, als zij al beschikbaar zijn.
  4. Slotronde en afsluiting
    Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.
sep
11
di
2018
Intervisiebijeenkomst huiselijk geweld en kindermishandeling
sep 11 @ 09:30 – 13:00

Intervisiebijeenkomst huiselijk geweld en kindermishandeling

Op initiatief van No Kidding Stop kindermishandeling!

Dinsdag 11 september 2018 – van 09.30 tot 13.00 uur

Voor gemeentelijke functionarissen
Met medewerking van ervaringsdeskundigen van No Kidding
Locatie: Amersfoort
Programma

    1. Ontvangst met koffie / thee
    2. Opening door de dagvoorzitter
      Het Branchecentrum organiseert en sponsort de bijeenkomst in opdracht van stichting No Kidding, een maatschappelijke beweging, die het voorkomen van kindermishandeling / huiselijk geweld zoekt in een andere manier van denken en doen.
      No Kidding doet echt aan preventie, heeft er succes mee en wil het succes delen met anderen.
      De bijeenkomst is bedoeld voor gemeentelijke functionarissen die direct of indirect te maken hebben met jeugdzaken / jeugdbeleid / wijkteams / wmo / aanverwant.De bijeenkomst gaat onder meer (maar bepaald niet uitsluitend) over:

      • De nieuwe Jeugdwet 2015.
      • Samenwerking in wijkteams.
      • Verbeteren infrastructuur in wijken / Buurtprojecten.

      Aanwezige ervaringsdeskundigen van No Kidding zullen tijdens de bijeenkomst confronterende jeugdervaringen delen. Zie een filmpje op Youtube – https://www.youtube.com/watch?v=V0yZyijJ3DQ

      De bijeenkomst is uitsluitend gebaseerd op specifieke aansprekende praktijkvoorbeelden van de initiatiefnemers en deelnemers. De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij zelf aan de orde willen stellen. Tijdens de bijeenkomst zullen deze problemen grondig worden behandeld, samen met een aantal van de al genoemde onderwerpen onder agendapunt 3, middels praktische intervisie met elkaar. Doelstelling: verkrijging van handvatten voor het maken van keuzes. Men geeft elkaar tips voor kwaliteitsverbetering en risicoreductie. Gebleken is dat gemeenten en partijen in het veld daar erg veel baat bij kunnen hebben.

    3. Bespreking van een aantal van de onderstaande vragen, opmerkingen en aandachtspunten die door gemeenten en andere partijen de afgelopen tijd zijn ingediend:
      • Veel signalen worden niet herkend / bij elkaar gebracht. We willen de signalering verbeteren. Bijvoorbeeld van psychische klachten / ziekten. Ook bij ouders. Er is handelingsverlegenheid bij zowel professionals en omgeving.
      • We gaan meer doen aan voorkoming van kindermishandeling. Doen we ’t juiste en wat mag er anders?
      • Het vrijwillig veld cq. scholen maken signalen niet of te laat bespreekbaar. Bijvoorbeeld opmerkingen dat ze het wel zelf oplossen e.d. Leerkrachten en scholen ervaren voornamelijk werkdruk. En hebben angst voor wat er na een melding kan gebeuren.
      • Er is veel handelingsverlegenheid. Wanneer ingrijpen? Afstemming lokaal en regionaal is slecht. We krijgen te maken met ontspoorde mantelzorg.
      • We implementeren een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De code moet gehanteerd worden door deelnemers uit ons sociaal team. Deze deelnemers zijn echter geen ambtenaren maar in dienst van hun moederorganisatie. Daarom hebben we extra moeite met de implementatie.
      • We maken in het team werkafspraken mbt. veiligheid van kinderen. Doordat we generalistisch moeten werken, hanteert niet iedereen dezelfde methode / normen. Wat is casusregie/procesregie? Welke rol houdt het gebiedsteam als er opgeschaald wordt?
      • De regels zijn duidelijk als het gaat om de meldcode. Daarbij is echter houding en bewustwording nog veel belangrijker. Van iedereen. Niet alleen professionals en gebiedsteams. Ook schuldhulpverleners, medewerkers van de afdeling Werk & Inkomen en burgers.
      • We willen dat de bureaucratie van efficiënt procesdenken de inhoud niet gaat bepalen of te veel belemmeren (grote stad, veel wijkteams, veel bureaucratie).
      • We willen nieuwe structuren zoals wijkteams beter laten aansluiten bij bijvoorbeeld meldpunt HG/KM (heet in Rotterdam “Veilig thuis”). We denken dat de invoering van de Jeugdwet invloed zal hebben op onze rollen en taken. Er zijn onzes inziens grenzen aan onze rollen en taken (“waar ben je van”)
      • Ik wil preventie centraal stellen in mijn werk (ook vanuit verantwoordelijkheid & signalering) terwijl het geen hulpvraag is vanuit de inwoner. Ik wil dit naar een breder plan gaan trekken.
      • Medewerkers van scholen vinden het moeilijk om zorgelijke signalen concreet en transparant te bespreken. Ik wil scholen beter gaan benaderen en sturen.
      • Burgers en professionals weten van het bestaan van huiselijk geweld en kindermishandeling en het belang van bestrijding ervan, maar zetten dit onvoldoende om tot handelen.
      • Het voorveld (scholen en burgers) durft niet te signaleren en te melden bij de juiste organisatie.
      • De samenwerking Veilig thuis en Sociaal team loopt nog niet optimaal. Wie doet wat en wanneer en wie neemt de verantwoordelijkheid.
      • Meisje 8 jaar. Ouders gescheiden. Beiden verslaafd aan drugs. Veel schoolverzuim. Meisje woont bij moeder. Moeder is erg zorgzaam. Geen drugsgebruik in bijzijn kind. Twee maal per wek opvoedhulp in huis. Ons dilemma is: deze hulp volhouden tot meerderjarigheid of uithuisplaatsing in belang van kind en maatschappelijke kosten.
      • Het is erg moeilijk om een Verzoek tot onderzoek (VTO) adequaat en afdoende te onderbouwen. Het is op voorhand vaak niet duidelijk aan hoeveel criteria het verzoek moet voldoen om te worden gehonoreerd.
      • Collega’s die niet uit de kinder/jeugd-sectie komen, weten soms niet goed wat er onder kinderbescherming valt.
      • Veiligheid is nog niet ingebed in ons team. Teamleden weten de signalen niet te interpreteren en raken van slag als zij het woord “veiligheid” horen.
      • Men is snel geneigd de oude aanpak te hanteren. Dus niet bespreken met ouders en over gezinnen praten met anderen.
      • We willen de sociale omgeving en professionals “ont-stressen” in gevallen van seksueel misbruik. Eerst melding. Fase geel volgens de methodiek van veilig thuis. Er is een breed palet aan betrokkenen (school, ouders, politie, veilig thuis, gemeente / jeugdzorg) waardoor de stress en maatschappelijke onrust alleen maar toeneemt.
      • Ook als gezinscoach /organisatie / gemeente willen we meer gaan doen aan preventie van kindermishandeling.
      • We maken een systematische inschatting van veiligheidsrisico’s in een gezin. We twijfelen of we dat in alle gevallen goed doen.
      • Er is handelingsverlegenheid bij SWT’s. Heeft te maken met deskundigheid, attitude, weerstand.
      • Discussie: zijn SWT’s in de basis wel bedoeld om iets in de aanpak HG & KM te doen? Laagdrempelige en vrijwillige hulp is gewenst.
      • Er is behoefte aan kennis en werken op gevoelsniveau binnen de hulpverlening en jeugdzorg.
      • Kunnen / durven medewerkers zich los te maken in eerste instantie van hun regels / beleid? Omdat dit een puur menselijk gegeven is …
      • Durven de mensen in het werkveld te vragen ? Durven ze hun gevoel ( niet: emotie) in te zetten of wordt dat afgeraden? Wordt er krampachtig vastgehouden aan regels / protocollen of durft men verschillende perspectieven te onderzoeken voor er wordt gehandeld? Of is daar geen tijd of geld voor?
      • De nieuwe Jeugdwet is in 2015 in werking getreden en heeft als kernbegrippen: financiële efficiency, de burger moet meer meedoen, verbetering van de regiefunctie zoals bijvoorbeeld in goed functionerende wijkteams.
      • Als gevolg van de nieuwe Jeugdwet en de Wmo moeten gemeenten een (bovenlokaal) advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK) hebben georganiseerd.
      • Huiselijk geweld is een diepgeworteld taboe. Het gaat jaarlijks om 350.000 gevallen, waarvan bij het huidige beleid 300.000 gevallen door niemand gezien worden.
      • Van het innovatieve studentenbuurtproject “Vooruit” te Amsterdam dient goede nota te worden genomen. Andere gemeenten kunnen er veel aan hebben. Referenties te verkrijgen bij Friso van der Wal van No Kidding op mailadres friso@nokidding.nl
      • We moeten werken aan bewustwording over kindermishandeling / huiselijk geweld als voorwaarde van handelen / inzetten instrumenten. We hopen dat mensen in de omgeving van het mishandelde kind zelf aan de gang gaan zonder meteen naar de overheid te wijzen.
      • Het Verdrag voor de rechten van het kind en het bestaande beleid werken vooral curatief. Het gaat echter veel meer om preventie. Een en ander sluit goed aan op de huidige transitie in de jeugdzorg.
      • Hoe kan de NO KIDDING maatschappelijke beweging ‘van onderop’ goed aansluiten bij Centra voor Jeugd en Gezin en sociale wijkteams, die ‘van bovenaf ‘worden aangestuurd?
      • De Kinderombudsman (www.dekinderombudsman.nl) meldt dat de VN-commissie voor de rechten van het kind het Nederlandse jeugdbeleid bekritiseert.
      • Van regels naar attitude en bewustwording (in Scandinavië zijn vrijwillige opvoedcursussen voor toekomstige ouders)
      • Preventie heeft alleen kans als het dieper de maatschappij in komt.
      • Beleidsambtenaren en wijkteams moeten meer oor te luisteren leggen bij ervaringsdeskundigen.
      • De burger blijkt in staat te zijn zelf iets te doen, mits we dat geloven en faciliteren.
      • Van aanbodgestuurd werken naar vraaggeoriënteerd handelen.
      • De coördinator van wijkteams heeft een belangrijke rol als draaideur. Hij/zij kan verandering van attitude van wijkteams stimuleren.
      • Veel wijkteams maken nog geen systematische inschatting van veiligheidsrisico’s in een gezin. Dat stellen de samenwerkende jeugdinspecties op basis van een verkennend onderzoek. Kijk op: http://www.nji.nl/nl/Actueel/Nieuws-over-de-jeugdsector/2015/STJ-Nog-weinig-zicht-op-veiligheid-in-wijkteams
    4. Slotronde en afsluiting
    5. Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.

Binnen 2 weken wordt een compleet verslag met geformuleerde aanbevelingen aan alle gemeenten toegezonden, vergezeld van een deelnemerslijst.

okt
4
do
2018
Intervisiebijeenkomst duurzaamheid en samenwerking in de openbare ruimte en het openbaar groen
okt 4 @ 09:00 – 13:00

Intervisiebijeenkomst
duurzaamheid en samenwerking in de openbare ruimte en het openbaar groen

Voor gemeentelijke functionarissen

Voor functionarissen van gemeenten
Met medewerking van branchevereniging VHG

Programma

  1. Ontvangst met koffie / thee
  2. Opening door de dagvoorzitter
    De bijeenkomst is uitsluitend gebaseerd op specifieke aansprekende praktijkvoorbeelden van de initiatiefnemers en deelnemers. De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij zelf aan de orde willen stellen. Tijdens de bijeenkomst zullen deze problemen grondig worden behandeld, samen met een aantal van de al genoemde onderwerpen onder agendapunt 3, middels praktische intervisie met elkaar en met aanwezige vakdeskundigen.
    Doelstellingen:
    -Samenwerking tussen gemeenten, burgers en bedrijven in openbare ruimte;
    -Kostenreductie, risicoreductie en kwaliteitsverbetering in de openbare ruimte
  3. Door gemeenten, bedrijven en branchevereniging VHG zijn vooraf de volgende concrete vraag- en aandachtspunten ingediend:
    • Bewoners met initiatieven om hun wijk of buurt mooier, leefbaarder en beter te maken, lopen tegen allerlei wet- en regelgeving aan.
    • Durft u de gehele herinrichting van uw bestaande wijk uit te besteden over een periode van 10 jaar (betaalbaar groenonderhoud en doordachte groenrenovatie)?
    • Social return: inzet medewerkers sociale werkplaatsen en lokale betrokkenheid en verbondenheid.
    • Onderhoud is over veel disciplines verspreid en daarom is het niet altijd even makkelijk die kennis allemaal in huis te hebben. Daarvoor moeten verschillende expertises gekoppeld worden en kunnen verschillende oplossingen goed met elkaar vergeleken worden. Kennis moet bij elkaar gebracht worden en toegankelijk en vergelijkbaar gemaakt worden voor de directe gebruiker of opdrachtgever.
    • Architecten zijn belangrijke beslissers als het gaat om bestekken. In die bestekken wordt niet altijd goed rekening gehouden met uitvoeringsaspecten van gemaakte keuzes. Bedrijven zouden in een tijdig stadium kennis moeten kunnen nemen van bestekken en ze zomogelijk moeten kunnen beoordelen.
    • Laat bestekken vooraf onafhankelijk beoordelen op kwaliteit en op milieutechnisch gebied. Vraag technische ondersteuning bij het maken van voorschriften. Deskundigen kunnen beoordelen wat maakbaar en haalbaar is en wat niet.
    • Er zijn knelpunten tussen prijsniveaus openbare markt in relatie tot drempelbedragen in onderhandse aanbestedingen. Ook de relatie prijs-kwaliteit staat regelmatig onder druk.
    • Invulling EMVI-criteria door opdrachtgever – EMVI-criteria geven vaak geen meerwaarde maar zijn juist zo algemeen dat de prijs toch vaak de doorslag blijkt te geven. Is dit een bewuste keuze of is de kennis van de opdrachtgever niet toereikend? Hoe controleert de opdrachtgever de EMVI-toepassing?.
    • Inzet medewerkers vanuit de Participatiewet is moeilijk. Het succesvol inregelen van participatie waarbij mogelijk ook mensen vanuit kaartenbakken (mn oude WWB) moeten worden ingezet, is een hele uitdaging.
    • Beeldversobering: hoe wordt dit door gemeenten naar de bewoners gecommuniceerd? De aannemer wordt hier namelijk telkens op aangesproken en dat is onwenselijk.
    • De langere termijn visie van gemeenten op de participatiewet is nog niet duidelijk. Het is niet duidelijk welke rol we krijgen vanuit de gemeenten
    • We moeten kwaliteit leveren voor een te lage prijs die in de markt ontstaat, waarbij tot overmaat van ramp ook te vaak het plan van aanpak door de gemeente niet wordt gecontroleerd.
    • Gemeenten bezuinigen op onderhoud waardoor omgeving verloedert en waarde huizen daalt en de criminaliteit toeneemt.
    • Vanuit oogpunt van burgerparticipatie mogen burgers beslissen hoe ze hun omgeving willen inrichten. Soms botsen de keuzes van burgers met wet en regelgeving. Het is niet duidelijk hoever bewoners mogen gaan met hun keuzes. We zoeken daar momenteel een evenwicht in.
    • We merken de invloed van de grote hoeveelheid graafwerkzaamheden in de openbare ruimte, in opdracht van netwerkbeheerders, op de kwaliteit en duurzaamheid van de openbare ruimte.
    • Zelfbeheer en participatie kosten erg veel tijd van de organisatie. Er zijn veel obstakels in de buitenruimte. Duurzaamheid moet op de agenda maar we onderzoeken in welke vorm.
    • We zitten met een veelheid aan met elkaar samenhangende problemen en aandachtspunten, die te maken hebben met capaciteit, beheer, nieuwe wetgeving onkruidbestrijding en verbod chemische middelen, en verlaging van budgetten.
    • We ervaren knelpunten bij samenwerking provincie / gemeenten, een tendens tot afname van afvalscheiding, toenemende overlast van bomen (schaduw, te groot, meer luizen). Dit terwijl groen juist belangrijk is.
    • We hebben in onze gemeente ca. 100 km recreatieve fietspaden die bestaan uit diverse soorten half verharding. We moeten nieuw beleid maken nu we geen bestrijdingsmiddelen meer mogen gebruiken.
    • Wij hebben moeite met het vinden van deelnemers voor de social return paragraaf in onze bestekken.
    • We willen duurzaamheid hoger op de agenda krijgen maar weten niet hoe.
    • We willen waar mogelijk de Europese aanbestedingsrichtlijnen niet volgen.
    • Bewoners willen en doen steeds meer aan onderhoud en beheer openbare ruimte. We worstelen met de vraag wat de gemeente mag en kan loslaten en aan de bewoners overlaten. En we moeten vervolgens overdracht van taken, verantwoordelijkheden en budget gaan vormgeven.
    • We ervaren problemen bij het enthousiast krijgen van bewoners om iets te kunnen betekenen in openbare ruimte (samen met de gemeente).
    • We werken aan inzet van medewerkers in sociale werkplaatsen en lokale betrokkenheid en verbondenheid. Trefwoorden: participatie: verplichtingen, re-integratie, langdurige werkloosheid.
    • We hebben nog te vaak een mismatch tussen enerzijds de beleidskaders van de gemeenteraad en anderzijds de belangen van burgers in de wijken. We willen het verwachtingspatroon van de burger beter sturen. Op papier ziet het er vaak mooi uit maar in de praktijk zijn de burgers het er vaak niet mee eens.
    • We moeten EMVI-criteria opstellen voor aanbestedingen in de openbare ruimte maar we hebben er veel moeite mee. Bovendien moeten we ook duurzaamheid meenemen in deze EMVI-criteria en dat lijkt het allemaal juist nog moeilijker te maken.
    • Er lijkt een spanningsveld te bestaan tussen duurzaam inkopen versus budgetverlaging. Voorbeeld: afval scheiden betekent hogere schoonmaakkosten. Voorbeeld 2: duurzame producten inkopen betekent hogere aanschaf- en verwerkingskosten. De kunst is om duurzaamheid hand in hand te laten gaan met kostenbesparingen.
    • Het is moeilijk om werkbare duurzaamheidscriteria op te nemen in bestekken en vervolgens op transparante criteria te gunnen.
    • Er is een intensieve zoektocht gaande naar de aanvaardbare grenzen van samenwerking tussen overheid en burgers in de openbare ruimte. Moeten we meer loslaten? Hoeveel? Wat kunnen we aan burgers overlaten? En er is regelgeving die als een sta in de weg wordt ervaren.
    • We willen beleid tot stand brengen waarin budget dat eerst voor de aannemer was bestemd, wordt gealloceerd in de wijk waarbij participatie en wijkbeheer in de wijk zelf komen te liggen en de aannemer vanuit de wijk ter verantwoording kan worden geroepen als het niveau niet wordt gehaald.
    • Hoe kunnen we het aanbesteden van onderhoud en beheer van de openbare ruimte vereenvoudigen. Doel: minder bureaucratie; beter proces, betere output, goede afstemming regie uitvoering, minder “faalkosten”. Waar is vereenvoudiging in EMVI mogelijk?
    • Onduidelijkheid bij Duurzaamheid en samenwerking in plan van aanpak bij Emvi aanbestedingen. Niet helder bij beoordeling. Het wordt slechts ondoorzichtiger.
    • Uitvragen EMVI richten zich niet op duurzaamheid, anders dan het vragen van wat certificaten.
    • We moeten EMVI-criteria opstellen voor aanbestedingen in de openbare ruimte maar we hebben er veel moeite mee. Bovendien moeten we ook duurzaamheid meenemen in deze EMVI-criteria en dat lijkt het allemaal juist nog moeilijker te maken.
    • In het kader van bezuiniging lopen we net als vele gemeenten aan tegen: a) versobering van de openbare ruimte b) lager onderhoudsbeheer. Hoe communiceren we dit met de bewoners?
    • Nieuwsgierig naar ervaringen van gemeenten en opdrachtnemers bij de uitvoering van integraal onderhoud (het reguliere “hoogfrequentie” onderhoud van groen, grijs en straatmeubilair). Lukt het om dit door integratie van werkzaamheden efficiënter te maken?
    • Duurzaamheid openbare ruimte. Financieel zijn budgetten leidend in onderhoud. Zijn er dus financieel aantrekkelijke mogelijkheden in de Openbare ruimten (goedkope investeringen)?
    • Hoe beoordeel je de mate van social return van opdrachtnemers op een objectieve manier?
    • Onkruidbestrijding. Hoe pakken we na het verbod van roundup in 2015 de onkruidbestrijding aan
    • Het moet steeds goedkoper en slimmer in de aanleg van de openbare ruimte. Hoe borg je dat het uiteindelijk ook te beheren valt.
  4. Slotronde en afsluiting
    Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.
Intervisiebijeenkomst afvalbeleid
okt 4 @ 13:30 – 17:00

Intervisiebijeenkomst afvalbeleid

Donderdag 4 oktober 2018 – 13.30 tot 17.00 uur

Voor gemeentelijke functionarissen
Met medewerking van vakdeskundige bedrijven die innovatieve initiatieven nemen
Locatie: Amersfoort

Programma

  1.  Ontvangst met koffie / thee
  2.  Opening door de dagvoorzitter
    De bijeenkomst is uitsluitend gebaseerd op specifieke aansprekende praktijkvoorbeelden van de initiatiefnemers en deelnemers. De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij zelf aan de orde willen stellen. Tijdens de bijeenkomst zullen deze problemen grondig worden behandeld, samen met een aantal van de al genoemde onderwerpen onder agendapunt 4, middels praktische intervisie met elkaar. Doelstelling: verkrijging van handvatten voor het maken van keuzes. Men geeft elkaar tips voor kwaliteitsverbetering en kostenreductie. Gebleken is dat gemeenten en andere ketenpartners daar erg veel baat bij kunnen hebben.
  3. Tot bij aanvang van de bijeenkomst kunnen nog vraag- en probleempunten worden geagendeerd m.b.t. de volgende relevante thema’s en handhavingsaspecten:
    Afvalstoffenbelasting, duurzame energie uit afval, hergebruik materialen, afvalscheiding verhogen, minder milieudruk bij afvalbeheer, ecostations, landelijk Afvalbeheerplan, afvalstoffen afkomstig van schepen, asbest, bouw- en sloopafval, dierlijke vetten, e-afval, EVOA, gevaarlijke afvalstoffen, storten van afvalstoffen (buiten inrichting), ketenhandhaving
  4. Door gemeenten en bedrijven zijn de afgelopen tijd de navolgende vraag- en aandachtspunten ingediend:
    • Gemeenten werken veelal met een inkoopbeleid dat vooral is gebaseerd op aanbesteding met langdurige contracten en niet flexibel zijn. Afvalbeleid is echter dynamisch en vergt juist een flexibele aanpak. Je kunt dan denken aan pilots voor nieuwe inzameltechnieken en verwerkingsmethoden. Er moet voor worden gezorgd dat gemeenten kiezen voor die flexibiliteit resulterend in een samenwerkingsovereenkomst tussen gemeenten en inzamelaars.
    • We worstelen met vragen omtrent zorgplicht vs. marktwerking (voorbeeld: textielinzameling door gemeente en/of markt). Textielinzameling heeft waarde dus de markt wil het. Het is belangrijk regie te houden.
    • We hebben geen specifiek beleid voor zwerfasbest en we ervaren het onderzoeken en verwijderen van zwerfasbest als vreselijk duur.
    • Van afval naar grondstof. Doelstelling: 75% afvalscheiden. Scheidingspercentage is geen goede prestatie-indicator. Niet scheiden om te scheiden. Is het een nuttige toepassing of is hergebruik mogelijk?
    • Waardevolle deelstromen (textiel/frituurvet/papier/metaal). Gemeenten hebben zorgplicht. Men kan handhaven of toelaten. Denk aan consequenties bijvoorbeeld voor afvalheffing en inzicht in kilo’s.
    • Betrek politiek bij, en maak hen rijp voor, het omgekeerd inzamelen en de vervolgstap (gedifferentieerd tarief / Diftar). Informeer bewoners van de gemeente / maak hen enthousiast voor het omgekeerd inzamelen.
    • Heeft een afvalbrengstation nog toekomst voor de gemeente? Moet de gemeente het afvalbrengstation beheren of de markt?
    • Afvalverwerking is (en anders wordt) een onmisbaar sluitstuk in de keten van afvalbeheer. Geldt ook voor nascheiding! Bronscheiding kent grenzen / gebruikersgemak speelt daarbij een belangrijke rol. Draagvlak(vorming) is voor gemeentelijk afvalbeheer onmisbaar. Hoe verbeteren wij de textielinzameling? Gemeenten moeten aandeelhouder worden in afvalscheidingsbedrijven.
    • Controle op ondergrondse containers verdient zich terug en met name ook in combinatie met het omgekeerd inzamelen!
    • In de discussie over afvalscheiding gaat het ook over de vraag wat het de burger kost en wat het oplevert. Vloeien de baten terug naar de burger als we de afvalstoffenbelasting eerst verhogen?
    • Er zijn meerdere stromen afval en we gaan naar een multi-nichemarkt toe, waarin bedrijven kiezen welke stromen ze willen en kunnen behandelen.
    • We hebben onze schrootinstallatie gesloten. Die stroom gaat dus nu naar een ander bedrijf, die we niet meer concurrent noemen, maar partner.
    • De overheid zit nu aan het stuur want de markt is er nog niet. De verpakkingsindustrie heeft nu onvoldoende incentives om recyclebaar materiaal te gebruiken.
    • Wij hebben het nieuwe inzamelen geïntroduceerd. Wij vinden het geweldig, maar het heeft bij burgers en politiek veel gezeur opgeleverd over de extra container.
    • We hebben wel eens bedacht dat ons GFT-afval ook aan boeren geleverd zou kunnen worden. Maar dat paste niet in de bestaande contracten. Er zijn op dit gebied veel juridische hobbels.
    • Als een keten heel gemakkelijk te realiseren was, was het al gebeurd. De recycling van kunststof is nu eenmaal heel erg duur. Daar moet geld bij.
    • Gemeenten hebben zelf ook jarenlang aanbesteed op basis van prijs. Dat verandert gelukkig. Contracten zijn nu flexibeler zodat er ruimte is om innovatief bezig te zijn.
    • Gemeenten moeten meer vertrouwen hebben in de eigen partners. Ze komen zelf met hele gedetailleerde contracten.
    • We praten teveel over klant en leveranciers, in plaats van over partners die samenwerken.
    • De afvalheffing moet 20 euro omhoog om de burger de kans te geven 40 euro terug te verdienen. Het vergt bestuurlijke moed om dat in te voeren.
    • In de energiemarkt leek het ook alsof alles zomaar aan de markt overgelaten kon worden. Nu ook die markt in transitie is, vragen vele partijen zich af of die privatisering niet te vroeg is gekomen. De overheid kan er nog nauwelijks op sturen.
    • Wij welken niet alleen met een economische visie, maar hebben ook doelen op het gebied van duurzaamheid en leefbaarheid. Die niet-economische doelen zijn beter geborgd bij een overheid.
    • Wij hebben een constructie bedacht waarbij de sturing en besluitvorming in handen is van de gemeente maar de hele operatie in handen van een private partij. Dat is “the best of both worlds”.
    • Wij zijn bijna op het punt gekomen dat we capaciteit over hebben in onze installaties. De vraag is dus niet of we gaan importeren, maar wannéér.
    • Als het gaat om gemeentelijk afval, zit er een politiek-emotioneel element aan de vraag of dit geëxporteerd moet worden. Bij industrieel afval zal dat minder zijn.
    • De uitdaging in Nederland is de toekomstige overcapaciteit. Ook elders zal het aanbod afnemen. Met het oog daarop, moeten we de markt reorganiseren.
    • De winnaars van morgen, zijn degenen die coalities kunnen sluiten.
    • Aanbesteding textiel: inzameling en verwerking (sorteren, vermarkten). Door inzakkende textielmarkt dalen de afzetprijzen en hebben sorteerbedrijven een liquiditeitsprobleem richting inzamelaars. Hoe hiermee om te gaan als de inzamelaar een andere partij is dan de verwerker en als de inzamelaar dezelfde partij is als de verwerker.
    • Beter koersen op restafvalaanbod voor huishoudelijke afvaldoelstelling.
    • In het kader van Social Return on Investment (SROI) kun je afvalbakken plaatsen op flatverdiepingen die geleegd kunnen worden door mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
  5. Slotronde en afsluiting
    Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.

Binnen 2 weken wordt een compleet verslag aan alle aanwezige deelnemers toegezonden, vergezeld van een deelnemerslijst en concreet toepasbare aanbevelingen.

nov
1
do
2018
Intervisie- en voorlichtingsbijeenkomst asbest
nov 1 @ 09:30 – 13:00

Intervisie- en voorlichtingsbijeenkomst asbest

Donderdag 1 november 2018 – 09.30 tot 13.00 uur

Voor vergunningverleners, handhavers en beleidsfunctionarissen van gemeenten
Voor functionarissen van woningcorporaties

Met aandachtspunten voor reductie van asbestrisico’s
Met medewerking van asbestkundigen

Locatie: Amersfoort

Programma

  1. Ontvangst met koffie / thee
  2. Opening door de dagvoorzitter
    De bijeenkomst is uitsluitend gebaseerd op specifieke aansprekende praktijkvoorbeelden van de initiatiefnemers en deelnemers.
    De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij aan de orde willen stellen, onder meer uit de inventarisatielijst zoals genoemd onder programmapunt 3.
    • Hoe kan een opdrachtgever of handhaver snel een inventarisatierapport doorgronden en waar kunnen de inventarisatie- en verwijderingsbedrijven op worden afgerekend?
    • Hoe kan worden voorkomen dat beperkingen in een asbestonderzoek leiden tot ongewenste calamiteiten met asbest bij renovatiewerkzaamheden?
    • 170 m2 asbesthoudende golfplaten, waarvan via het laboratorium asbest is aangetoond, zijn door een bedrijf zelf verwijderd en op het terrein opgeslagen. Het bedrijf is op overtreding aangeschreven en verzocht het te laten liggen en inventarisatie te laten uitvoeren. Op basis van de uitkomst moeten zij een sloopmelding doen en het laten saneren. De sloopmelding is geaccepteerd, doch diverse voorwaarden zijn geschonden, geen start werk en achteraf gereed gemeld door overtreder, geen uitvoering door een gecertificeerd bedrijf. Alle platen zijn ingepakt en aan de straat gelegd. Het is afgehaald door een asbestverwerker. Er is geen eindcontrole beschikbaar.
    • Hoe moeten we bouwkundige eenheden interpreteren in verschillende situaties in een asbestinventarisatierapport.
    • Hoe voorkomt men dat burgers zelf onverantwoordelijk met asbest omgaan (dat het gevaar wordt onderkend)?
    • Als de inspecteur toezicht houdt op de sloopwerkzaamheden en er blijkt opeens asbest aanwezig te zijn. Hoe gaat men dan om met eventuele de-contaminatie?
    • Waar moet de eis worden opgenomen dat een B-inventarisatie verplicht is?
    • Wat zijn belangrijke aandachtspunten bij controle asbestinventarisatie door vergunningverlener?
    • Kan een vergunningverlener altijd een asbestinventarisatieonderzoek eisen en zo ja, op welke wettelijke grondslag?
    • Hoe kunnen we de illegale asbestsaneringen beter onder de aandacht krijgen met name bij particulieren?
    • Op welke wijze mag en kan een gemeentelijke dienst zwerfasbest opruimen zonder certificering en Deco materialen. Tot welke hoeveelheid en vorm?
    • Mag de oude paraplu-sloopvergunning nog worden gebruikt? Ook als het ongeveer 600 woningen betreft in verschillende plaatsen of straten?
    • Asbest inventarisatie type A terwijl het pand geheel of gedeeltelijk wordt gesloopt. Moeite met verstrekken type B inventarisatie omdat men dat wil doen tijdens de sloop en niet vooraf.
    • Op welke wijze hebben gemeenten de verwijdering en afvoer van asbestvrije golfplaten geregeld, en dan met name hoeveelheden groter dan 35 m2. Wel of geen sloopmelding, waar aanbieden, behandelen als asbesthoudend grotere hoeveelheden bij asbest inzamelbedrijf?
    • Hoe om te gaan met asbestdumpingen. Opruimingsprotocol of opruimingsvrijgave?
    • Asbestinventarisatierapporten blijven in een aantal gevallen onduidelijk voor wat betreft het wel of niet uitvoeren van een type B onderzoek of een NEN 2991 onderzoek. Graag standaard altijd dit benoemen.
    • Er komt steeds meer vraag naar bodemsanering in de omgeving van golfplaten asbestdaken (met name sportverenigingen). Men is bang voor asbestbesmetting.
    • Risicoklasse 2 terug schalen naar 1 tijdens de uitvoering, verschillende inzichten van inventarisatiebureaus hierover en er is geen duidelijkheid.
    • Waarom is de vrijgave gekoppeld aan het adres en niet aan de vergunning?
    • Hoe wordt voorkomen dat particulieren zelf asbest verwijderen (in hoogste risicoklassen)? Controle aan de werf is er nauwelijks en via het Omgevingsloket word je ook niet overal op gewezen / bij verbouwwerkzaamheden komt uit vergunning check dat er geen melding nodig is.
    • Voor de sloop van een gebouw wordt een asbest inventarisatierapport gemaakt (SC 540) Uit het rapport blijkt dat er asbest in de grond om het gebouw aanwezig is. Moet de melding worden verleend of geweigerd?
    • Illegale sloopactiviteiten waarbij asbestverdacht materiaal wordt verwijderd. Kan de eigenaar van het pand of wellicht sloper afdwingen dat ze inventarisatieonderzoek doen. Of moet de gemeente eerst zelf een monster laten testen op asbest?
    • Bij verbouwingen (omgevingsvergunningsvrij) worden wel eens asbestverdachte materialen aangetroffen. In die gevallen wordt niet zorgvuldig omgegaan met afval. Wat te doen met een niet gemelde sanering, dus dat we niet hebben kunnen controleren?
    • Een verbouwing is omgevingsvergunningsvrij. Echter, er is wel asbesthoudend dan wel verdacht materiaal aangetroffen. Constatering is veelal via inspecteur. De coördinatie en informatie kan beter. De verantwoordelijkheid ligt bij eigenaar.
    • Hoe zit het nu met de aansprakelijkheid en het claimen van schade voor de betrokkenen bij een asbestbrand? Zijn de eigenaren aansprakelijk jegens de gemeente voor de saneringskosten?
    • Bij sloop van een gebouw wordt vaak een type A-asbestrapport overlegd met beperkingen. Dan wordt type B geadviseerd. Echter veel beperkingen (vloerbedekking, spouw, koven) moeten in type A onderzocht worden. Deze beperkingen vallen onder licht-destructief. Helaas levert dit altijd veel discussie op terwijl de SC540 hierin heel duidelijk wil zijn. Maar ook de SC540 is lang niet duidelijk genoeg want levert tussen deskundigen al discussie op sinds 2008.
    • In een afgebrand / vervallen pand is in verband met constructieve veiligheid geen asbestinventarisatie mogelijk, terwijl het pand dringend gesloopt moet worden.
    • Een klasse-2 inventarisatie is toch door een particulier verwijderd omdat het een geschroefde hechtgebonden plaat betreft. In dit geval is niet duidelijk wat leidend is: de asbestinventarisatie of het Bouwbesluit.
    • Een particulier heeft een sloopmelding gedaan bij de gemeente. Het betreft geschroefde asbesthoudende hechtgebonden beplating in een garage. Deze mag hij nu zelf verwijderen maar dit is misschien helemaal niet wenselijk.
    • Burgers vragen een sloopmelding aan en slopen ondertussen zelf. Achteraf wordt er toch een soort van akkoord gegeven omdat zij zonder sloopmeldingsbrief niet kunnen afstorten. We zoeken naar mogelijkheden om dit te voorkomen en om achteraf hiertegen te kunnen optreden.
    • Bij de gemeentewerf wordt een risico-inventarisatie geëist door de Arbeidsinspectie middels een aanschrijving. Een RI&E m.b.t. onder meer blootstellingsrisico’s. We moeten dar onderzoek voor doen dat we als duur en zinloos ervaren.
    • De asbestmeldingen zijn onoverzichtelijk en niet te herleiden tot tijdstip van indiening.
    • Burgers zeggen ons vaak dat er geen asbest is tijdens een sloop maar we hebben vermoedens dat dit vaak niet juist is.
    • Er is veel juridische discussie over de geldigheidsduur en juridische status van de sloopmelding.
    • Het toekomstige verbod op asbesthoudende daken begint in de publiciteit te komen. Eigenaren van koopwoningen stellen vragen aan de gemeente. Vragen over Rijks-subsidies, bedragen en wie de uitvoerende instantie is. We proberen illegale verwijdering en dumping te voorkomen.
    • Er zijn veel vragen over wie in welk deel van het traject van asbestonderzoek en –sanering verantwoordelijk is en tot hoever de bemoeienis van de gemeente gaat bij de controle op het proces.
    • Type B inventarisaties worden in onze gemeente niet of nauwelijks ingediend ondanks dat het dit jaar door vergunningverlener verplicht gesteld wordt.
    • We zoeken mogelijkheden om asbestdump aan te pakken. De saneringskosten zijn te hoog.
    • We hebben nogal eens te maken met onvolledige/foutieve sloopaanvragen waar achter de schermen al wel afspraken gemaakt worden m.b.t. datum sloop/saneren en opleveren percelen. Dat is en ongewenste ontwikkeling.
    • Bewoners ervaren het doen van een melding om asbest (verplicht) op de milieustraat te mogen aanleveren als een drempel. Daardoor hebben we meer clandestiene dumping asbest in openbare ruimte. De Inspectie controleert de gemeente op asbestregistratie. We zouden willen dat deze regel werd versoepeld door drempels weg te nemen.
    • We mogen erg weinig asbest ruimen in het openbaar gebied zonder inventarisatie.
    • We hebben problemen met asbestverwijdering door particulieren. De regelgeving veroorzaakt ongewenste verwijdering zonder melding.
    • Veel bouwactiviteiten zijn tegenwoordig vergunningvrij. Mensen gaan aan de slag en dus ook veelal sloopwerkzaamheden. Dus geen sloopmelding, sloopstop en veel frustratie. We moeten dit onder controle krijgen maar dat is moeilijk.
    • Illegale situaties komen vaker voor. We proberen dit onder controle te krijgen. Advertenties in kranten. Betere communicatie door de gemeentewerf wanneer mensen bellen over asbest.
    • Wanneer het Landelijk Asbest Volgsysteem operationeel zal zijn, zal dit naar ons gevoel veel tijd gaan schelen.
    • Het afvoeren van dakbedekkingen (golfplaten) die asbestvrij zijn, met een bewijs “NT” in de plooi moet desalniettemin als zijnde asbesthoudend worden afgevoerd. Dis is te gek voor woorden.
    • De uitsluitingen in de asbestinventarisatierapporten zijn nog steeds niet acceptabel, met name het gemak waarmee dit gebeurt.
    • Een eigenaar heeft zelf kokers, leidingen, beplating (voorzichtig) verwijderd. Ongewenste ontwikkeling maar moeilijk tegen op te treden.
  3. Slotronde
    Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.
Intervisiebijeenkomst Bodem – Water – Archeologie
nov 1 @ 13:30 – 17:00

Intervisiebijeenkomst Bodem – Water – Archeologie

Donderdag 1 november 2018 – 13.30 tot 17.00 uur

Voor gemeentelijke functionarissen
Met medewerking van milieukundigen
Locatie: Amersfoort

Programma

  1. Ontvangst met koffie / thee
  2. Opening door de dagvoorzitter
    De bijeenkomst is uitsluitend gebaseerd op specifieke aansprekende praktijkvoorbeelden van de initiatiefnemers en deelnemers.
    Op deze wijze worden sinds 2003 samen met gastgemeenten publiek-private overlegbijeenkomsten georganiseerd op het gebied van: omgevingsrecht, asbest, bodem, afvalbeleid, vastgoed, bouw, werk en inkomen.

    Vanuit gemeenten, bedrijven en andere organisaties zijn vraag- en aandachtspunten aangedragen voor de agenda van deze bijeenkomst. Ze staan op de inventarisatielijst (punt 3) van deze agenda. De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij zelf aan de orde willen stellen, onder meer uit deze lijst. Maar niet alle op de lijst geplaatste aandachtspunten worden besproken, doch alleen de door de aanwezigen te kiezen aandachtspunten en vraagpunten. Dat kunnen overigens ook punten zijn die niet op de inventarisatielijst staan !
    Tijdens de bijeenkomst zullen deze punten grondig worden behandeld, middels praktische intervisie met elkaar en met aanwezige bodemkundigen. Ook de samenwerking met inspectiediensten, certificerende instellingen en anderen komt ruimschoots aan de orde.
    Tijdens de bijeenkomst kunt u met collega’s en anderen ervaringen uitwisselen en met elkaar vergelijken hoe het nog beter en eficiënter kan worden aangepakt. Gemeenten kunnen hun vergunningverlening en handhaving goedkoper en effectiever maken door veilige en slimme handhavingsmethoden toe te passen. Gebleken is dat gemeenten en andere partijen daar erg veel baat bij kunnen hebben.

  3. OBespreking van vragen, opmerkingen en aandachtspunten van gemeenten en andere partijen, waaronder een aantal van de onderstaande in de afgelopen tijd ingediende punten:
    • De bodem voldoet niet aan klasse wonen maar er is geen sprake van een WBB-geval. We worstelen in die gevallen met handhaafbaarheid bij nieuwe ontwikkelingen (functieverandering op perceel bijvoorbeeld veranderen bestemming van bedrijven naar wonen).
    • In een vloeistofdichte vloer met PBV-verklaring (6 jaar geldig) ter plaatse van een tankplaats, hebben we olielekkage aangetroffen bij monitoring. Zichtbare scheuren, olievlekken en verzakking. Tijdens de jaarlijkse controle was het advies dat de vloer alleen afgekit behoefde te worden. Wat te doen met de vloer die blijkbaar niet goed functioneert.
    • We bezinnen ons op onze taak als gemeente en op onze handvatten om de bodemvruchtbaarheid op peil te houden in landbouwgebied (met name bodemverdichting en -verarming).
    • Bodemonderzoek: asbest in gedempte sloot. Nieuw geval (na 1992). Bodembeheernota: geen specificatie (klasse industrie). Asbestregels? Functie bodem verandert. Wordt woonwijk. We beraden ons op beleid.
    • Immobilisaat: moet je vooraf keuren naast productcertificaat erkende kwaliteit? Indien ja (1003), moet je dan, ingeval van een partijkeuring, gecertificeerd zijn om te mengen (BRL 9332)? Met de RUD hebben we hierover onenigheid.
    • We hebben discussie met de RUD of een bedrijf dat een vloeistofdichte vloer aanlegt, gecertificeerd moet zijn.
    • Als we grond laten vervallen aan aannemer in een project, dan hebben we problemen met de controle van meldingen (afvoer e.d.)
    • De NEN 5707 is “te zwaar geschut” bij het onderzoek bij verweerde asbestdaken zonder dakgoot. We moeten kiezen voor standaard onderzoeken of standaard afgraven.
    • We bezinnen ons op ecologische spoedlocaties en de te gebruiken technieken en het aanpassen van vegetatietypen. We zoeken naar de juiste handelingsperspectieven en maatregelen.
    • Er is onduidelijk hoe lang een uitgevoerd bodemonderzoek geldig is. Volgens ons: 5 jaar indien uitgevoerd na 2008.
    • In het bodembeleid valt een deel van onze gemeente (strook langs de rivier buitendijks) onder de Waterwet (waterbodem) met als bevoegd gezag Rijkswaterstaat. Onduidelijk is de wijze van benadering tussen provincie en RWS als bevoegd gezag v.w.b. bodem(sanering). De benadering van RWS lijkt wat soepeler.
    • Er is vaak geen goede afstemming tussen bodemregelgeving en arbo-regelgeving. Vanuit bodembeleid mag je t.b.v. werkzaamheden in de grond gebruik maken van een bodemkwaliteitskaart (BKK) en dus is er geen bodemonderzoek nodig. Echter: vanuit arbo-regelgeving moet ik vervolgens toch onderzoek doen om de veiligheidsklassen te bepalen.
    • Onze gemeente is sterk verontreinigd als gevolg van zinkassen met zware metalen. Voor bijna alle werkzaamheden in de grond (CROW 132) zijn extra maatregelen nodig. Het is moeilijk om te bepalen hoe we moeten omgaan met kleine civieltechnische werkzaamheden. Zoals planten, bomen, plaatsen verkeersborden, lantaarnpalen, schoffelen plantoenen, bermonderhoud. Het raadplegen van een Hoger Veiligheidskundige (HVK) is een optie.
    • Onze binnenstad is vaak sterk verontreinigd met zware metalen. De niet-vergunning-plichtige activiteiten zijn daarom moeilijk beheersbaar en controleerbaar vanuit bodem- en milieuoptiek.
    • We willen twee grondlagen beschouwen als 1 laag. Lijkt makkelijk voor aannemer, maar volgens Toezicht is het een vrijbrief voor de aannemer om te sjoemelen.
    • Grondwaterverontreiniging. Ernstig maar geen spoed. In beschikking wil je wel gebruiksbeperkingen vastleggen m.b.t. onttrekken sterk verontreinigd grondwater. De pluim verplaatst zich enkele meters per jaar (een zogenaamd loslatende pluim). Gebruiksbeperkingen opleggen wordt dan moeilijker omdat de percelen zullen wijzigen in de tijd.
    • We zitten met verontreinigde grond in een woonwijk bij het aanleggen ondergrondse containers of parkeerplaatsen. De BBK geeft geen handige uitweg. Als je als gemeente BRL9335-gecertificeerd bent dan is er een uitweg.
    • We twijfelen of een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk is (en vanuit welk kader) bij omzetten bestemming locatie van bedrijven/kantoren naar wonen, met inpandige verbouwing en bij vergunningsvrije aanbouw op ernstige verontreiniging.
    • Maasvlakte 2: elk nieuw bedrijf moet een WBB-onderzoek doen terwijl het een ophooglaag is die geschikt is voor het gebruik. We willen onderzoekslasten verminderen. Wellicht BKK als nulsituatieonderzoek gebruiken.
    • We hebben zand ontvangen ivm. de aanleg van een nieuwe weg. Herkomst is buitenlands. Uit onderzoek blijkt bovenlaag tot ongeveer 2 meter verontreinigd en daaronder schoon. Ook de partijkeuring geeft aan dat het altijd toepasbaar is. Buiten het feit dat de vrachtpapieren niet klopten kreeg de provincie argwaan. Bij aankomst is er opnieuw gekeurd. Werd als schoon beoordeeld. Maar men kreeg de indruk dat er stoffen in zaten die we niet in ons stoffenpakket hebben. We beraden ons op verdere stappen en vragen ons af waar we het nu verder nog op moeten onderzoeken.
    • We hebben verdachte terreindelen waarvoor geen bouwaanvraag nodig is maar wel in de verontreinigde bodem wordt gegraven waardoor niet beheersbare milieurisico’s optreden.
    • We hanteren een groeilijst Bbk. Op basis van deze groeilijst houden wij voor de Bbk meldingen voor het gehele grondgebied inzicht in grondstromen. Onvolkomenheden (b.v. dubbelmeldingen, overschrijding partijgrootte) en afgekeurde meldingen worden rood gearceerd.
    • Hoe ga je om met nieuwe gevallen VOCL (diep)? Terugsaneren tot schoon wellicht technisch niet haalbaar.
    • In bestekken / werken is te vaak onduidelijkheid over wie benodigde meldingen / vergunningen verzorgt. Is dit de overheid (gemeente, RWS), de directie van het werk, de uitvoerende aannemer, de milieukundig begeleider?
    • Er is weinig uniformiteit bij aanbestedende diensten m.b.t. verontreinigde funderingen. Voorbeeld: BRL 7000 toepassen of niet? Veiligheidsklasse? Betreft geen verontreinigde grond. Geen saneringsplan of BUS-melding nodig.
    • Toetsing van minerale olien is tegenstrijdig. Volgens WBB licht verontreinigd. Volgens BBK niet toepasbaar. Dit is vaak niet uit te leggen.
    • In hoeverre moeten alle parameters uit de BUS-mobiel worden geverifieerd na sanering, ook al staat van te voren vast, op basis van een beschikking en actualisatie, dat een aantal van deze parameters al voldoen aan de TSW.
    • Bij het freesen van een weg komt grond vrij van een niet-aaneengesloten partij. BRL9335. Samenvoegen? Criteria aaneengesloten partij in BRL 9335 worden herzien.
    • Soms worden kleine partijen grond (komen vrij bijvoorbeeld bij het planten van bomen) “opgebulkt” en daarna (zonder analyses) toegepast in een bepaalde zone.
    • We willen saneren d.m.v. een leeflaag in een “dynamisch gebied” (duin), mits dat een reele optie is en we weten waar we aan toe zijn m.b.t. de termijn van controle van de leeflaag.
    • We hebben verdachte terreindelen in een binnenstad waar een bouwaanvraag niet voor nodig is (niet vergunningplichtig) maar dus wel in de verontreinigde bodem wordt gegraven.
    • De gemeente kan in het kader van een omgevingsvergunning, activiteit, voorwaarden verbinden. De gemeenten hebben in de bouwverordening regels opgenomen in relatie tot het bouwen op verontreinigde bodem. Daarnaast zijn er voorwaarden opgenomen in art 6.2c WABO wanneer de omgevingsvergunning in werking treedt. Concreet gesproeken hebben de voorwaarden/beperkingen alleen betrekking op bouwwerken waar structureel dezelfde mensen verblijven (>2 u per dag). Je kunt in deze gevallen op basis van een vermoeden, bijvoorbeeld een verdenking van ernstige verontreiniging vanuit het Bodeminformatiesysteem, geen eisen stellen met betrekking tot de omgevingsvergunning. Als gemeente ben je namelijk niet het Wbb-bevoegd gezag, zoals bedoeld in artikel 6.2c WABO.
    • Eis, indien mogelijk, altijd kwaliteitsverklaring bij meldingen schone grond.
    • Wij willen een bouwvergunning afgeven op een diepe VOCL-vlek. Het betreft een terrein waar de bovenlaag is gesaneerd, maar op 10 meter onder maaiveld een VOCL-vlek ligt (zonder een beschikking ernst & spoed).
    • Bewijs meldingen schone grond bij het Meldpunt Bodemkwaliteit. De wettelijke termijn van 5 werkdagen wordt vaak niet gehaald.
    • Hoe richt je een adequaat handhavingsprogramma in, voor alle grondstromen binnen de gemeente?
    • Waarom hebben wij als gemeente zo weinig (nulsituatie-)bodemonderzoeken bij milieu-vergunningen?
    • Minder dan 25 kubieke meter: geldt dan een saneringsplicht?
    • Kunnen we als gemeente bij bijvoorbeeld groot grondverzet ook een rol vervullen? Tijdens saneringen zijn er momenten dat je moet controleren of het goed gaat.
    • Hoe gaan we om met nul- en eindsituatieonderzoek bij bestaande vloeistofdichte vloeren?
    • Wat is het voordeel van volledig onafhankelijke kwaliteitscontroles op afdichtingconstructies toegepast op IBC-werken en op betonbeschermingsconstructies, onder andere bij afvalwaterzuiveringsinstallaties?
    • Verontreinigde bermzone instellen en toestaan > Interventiewaarden immobiel. Nu gaan we daar de bodem saneren met de kraan open en dat is waarschijnlijk niet doelmatig.
    • Bij aanleg van wegen wordt vaak een duurzame scheiding en isolatie situatie geschapen welke gebruikt zou kunnen worden voor de semi-permanente opslag.
    • Bodemfunctiekaarten van gemeenten, bodemkwaliteitskaarten, uitwisseling gegevens RWS en gemeenten, terugvindbaarheid bodemonderzoeksgegevens binnen RWS, GIS-gegevens van RWS zijn voor derden niet makkelijk toegankelijk terwijl ze dat wel moeten zijn.
    • Milieutechnische en civieltechnische hergebruiksmogelijkheden van vrijgekomen grond.
    • Coordinatie diverse werkzaamheden bijvoorbeeld archeologie, nge en bodemverontreiniging. Efficientie. Hanteren van EMVI-prijs i.p.v. EMVI-punten.
    • Bbk-partijkeuring grond. Protocol 100. Definitie “aaneengesloten” – aanvulling protocol met een bijlage met toelichting op “aaneengesloten”. Voorbeelden genoemd: -gescheiden depots in vakken met keerwanden en gescheiden containers. Maar wat als 2 depots uit een kuip aan weerszijden van een kuip liggen of als er een smalle werkweg door een depot loopt waardoor de partij formeel niet aaneengesloten is?
    • Er is vaak geen mogelijkheid om een onderzoeksplan te laten toetsen door bevoegd gezag. Vaak wordt gemeld dat men pas beoordeelt nadat het rapport is ingediend.
    • Mogelijkheden voor toepassing van (verontreinigde) grond in waterbodems (zandwinlocaties). In het bijzonder gaat het om het onderscheid / het overgangsgebied tussen “storten” en “nuttig toepassen” en – milieuhygiënische – randvoorwaarden (b.v. terugneembaarheid / uitlooggedrag / classificatie).
    • PAK-verontreiniging in het grondwater. In 2006 / 2007 sterk verhoogde PAK-gehalten. In 2014 in het voorjaar ook individuele PAK’s verhoogd. Vanaf zomer 2014 alle gehalten onder S en/of detectiegrens. Er kan zijn gesjoemeld met de monstername.
    • XRF-analyse zijn voor bepaalde stoffen (zoals zware metalen) wettelijk geaccepteerd. XRF-analyses kunnen veel Lab-analyses besparen.
    • Eindsituatie-onderzoek bij inrichtingen, indien niet geregeld in vergunningvoorschriften, terwijl er wel bodembedreigende activiteiten aanwezig waren.
    • Normstelling voor olie in grond. Olie valt snel in klasse Industrie, werkzaamheden (arbo) dan in basisklasse CROW 132. Deels is die dan ook nog van natuurlijke herkomst. Die norm is welliht te streng. Wellicht geen basisklasse nodig.
    • Bbk -Het is in het veld onduidelijk of het zeven van grond een bewerking is, waardoor de partijkeuring eventueel vervalt. -Het is onduidelijk of het behandelen van meldingen Bbk ook een basistaak voor RUD’s is.
    • Status en betrouwbaarheid van bodemfunctiekaarten blijft lastig. Gegevens zijn vaak niet up to date.
    • Meldingen grondtransporten; groot terrein voormalige kalkzandsteenfabriek. Aanvoer (afvoer) diverse grondstromen. Er is duidelijkheid vereist over de vraag welke papieren / meldingen zijn vereist in relatie tot de BBK. En wie de vrachtpapieren controleert. En hoe we de diverse vrachtauto’s controleren (welke gaat waarheen).
    • Saneringsplicht bij verontreiniging kleiner van 25 m2 in relatie tot omgevingsvergunning. Sanering blijkt niet altijd afgedwongen te kunnen worden. Geldt met name ook voor verontreinigingen net buiten het bouwvlak.
  4. Slotronde en afsluiting
    Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.

Binnen 2 weken wordt een compleet verslag aan alle aanwezige deelnemers toegezonden, vergezeld van een deelnemerslijst en concreet toepasbare aanbevelingen.

nov
13
di
2018
Intervisiebijeenkomst “Versterking lokale economie”
nov 13 @ 09:30 – 13:00

Intervisiebijeenkomst “Versterking lokale economie”

Dinsdag 13 november 2018 – 09.30 tot 13.00 uur

Voor gemeentelijke functionarissen
Met medewerking van ondernemersbelangenorganisaties
Locatie: Amersfoort

Programma

  1. Ontvangst met koffie / thee
  2. Opening en toelichting door de dagvoorzitter
    De bijeenkomst is uitsluitend gebaseerd op specifieke aansprekende praktijkvoorbeelden van de initiatiefnemers en deelnemers. De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij zelf aan de orde willen stellen. Tijdens de bijeenkomst zullen deze punten grondig worden behandeld, samen met een aantal van de al genoemde onderwerpen onder agendapunt 4, middels praktische intervisie met elkaar. Doelstelling: verkrijging van ideeën en handvatten voor versterking van de lokale economie.Vanuit gemeenten, bedrijven en andere organisaties zijn vraag- en aandachtspunten aangedragen voor de agenda van deze bijeenkomst. Ze staan op de inventarisatielijst (punt 4) van deze agenda. De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij zelf aan de orde willen stellen, onder meer uit deze lijst. Maar niet alle op de lijst geplaatste aandachtspunten worden besproken, doch alleen de door de aanwezigen te kiezen aandachtspunten en vraagpunten. Dat kunnen overigens ook punten zijn die niet op de inventarisatielijst staan !
  3. Tot bij aanvang van de bijeenkomst kunnen nog vraag- en probleempunten worden geagendeerd m.b.t. de volgende relevante gemeentelijke economische thema’s:
    Bevordering vestigingsklimaat * ondernemersklimaat en bedrijvigheid * verbetering dienstverlening aan burgers en bedrijven en vermindering regeldruk * Omgevingswet, Omgevingsvisie, Omgevingsplan en ruimtelijke ontwikkeling * winkelcentra, winkeltijdenwet en centrummanagement * bedrijventerreinen en parkmanagement * toerisme en recreatie * veilig ondernemen * innovatief aanbesteden * werkgelegenheid * duurzaamheid * economische netwerken en informele investeerders * ondernemersfondsen * samenwerking onderwijs – kennisinstellingen – bedrijfsleven – overheid.
  4. Bespreking van vraag- en aandachtspunten die door gemeenten en bedrijven de afgelopen tijd zijn ingediend (tijdens de bijeenkomst wordt gekozen welke punten worden besproken en kunnen door de aanwezigen ook eigen punten worden ingebracht):
    • We hebben leegstand in een derde van het centrum. Ondernemers (tevens vaak eigenaar van de panden) onderkennen dit probleem (nog) niet. Ze zijn volgens de ondernemersvereniging te veel bezig met overleven. We vragen ons af of centrummanagement een oplossing is maar we hebben daarvoor geen middelen.
    • We vragen ons af hoe we leegstand kunnen oplossen zonder geld en zonder draagvlak en sense of urgency bij ondernemers. Er is ook weinig vraag naar andere functies (zoals wonen). We vragen ons af of elke gemeente wel een centrumfunctie moet willen, vooral als daar geen behoefte aan blijkt te bestaan.
    • We willen diverse partijen (30) uit “hard” en “zacht” domein samenbrengen. We willen doorpakken op initiatieven en gebruik maken van de spiegels en kralen (het “laaghangende fruit”).
    • We stimuleren economische netwerken, informele investeerders en allerlei vormen van publiek-private samenwerking. We moedigen aan, verbinden, juichen toe maar maken niet de fout om ons er inhoudelijk of anderszins mee te gaan bemoeien.
    • We hebben leegstandsproblematiek in de binnenstad. De functie van detailhandel in de binnenstad boet aan kracht in. Oorzaken: internetaankopen etc. We willen zorgen voor nieuwe wervingskracht.
    • Het is belangrijk informatie van en naar ondernemers te kanaliseren zonder al te veel ruis.
    • Er bestaat een spanningsveld tussen het omarmen / stimuleren van nieuwe initiatieven en de bescherming van gevestigde bedrijven / lokale ondernemers.
    • We willen de triple helix (onderwijs/bedrijven/gemeenten) beter met elkaar laten samenwerken waardoor er een meer gezonde arbeidsmarkt ontstaat die preventief werkt op knelpunten in sociaal domein (uitkeringsgerechtigden, participatiewet).
    • We moeten de regionale samenwerking goed borgen als het gaat om het maken van regionale keuzes op het gebied van bedrijventerreinen (er is overaanbod) en bijvoorbeeld overschot aan detailhandels-meters.
    • Ondernemers willen graag korting bij aankoop van bouwgrond. Deze korting staat echter op gespannen voet met de staatssteun-richtlijnen.
    • We zetten strategisch accountmanagement op. Vraag ophalen uit het bedrijfsleven. Als input voor beleid. Contacten onderhouden en intern in organisatie delen. Als middel om beleidsdoelen te bereiken.
    • We beraden ons op lokaal beleid voor zzp-ers. Hoe moeten we hen bereiken? Is zeer diverse doelgroep.
    • We stimuleren en faciliteren social entrepeneurs.
    • Ondernemers zijn bij ons heel erg moeilijk in beweging te krijgen. Zowel individueel als collectief.
    • Het is belangrijk om economische ambities scherp te formuleren. Dus SMART, oftewel specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden.
    • We ondervinden een “flexibiliteitsparadox” in onze bestemmingsplannen (centrum). In het centrumgebied liggen dubbelbestemmingen voor retail, horeca, kantoren, wonen. Op al deze punten is het aanbod te groot, te veel vierkante meters. We willen vierkante meters inleveren en toch flexibel blijven bestemmen om groei mogelijk te houden.
    • We willen grootwinkelbedrijven betrekken bij een draagvlakmeting voor een BIZ-traject en zekerstellen dat ook zij een geldige stem kunnen uitbrengen.
    • We faciliteren, inspireren en verbinden kleine en grote ondernemingen bij de toekomstige opgaven op het gebied van verduurzaming, energietransitie, circulaire economie (op bestaande industrieterreinen). We zoeken naar verbindingsmogelijkheden en financiële prikkels.
    • We zijn een landelijke gemeente. Vanuit een aantal ondernemers is een verzoek gekomen om te komen tot een ondernemersfonds. Dit houdt in een verhoging van de OZB op niet-woningen. Er zijn echter ook meerdere BIZ-zones binnen de gemeente. Is lijkt dan niet verstandig om mee te werken aan een ondernemersfonds.
    • Deze collegeperiode richt zich vooral op uitvoering. Het beleid / visies op economie en detailhandel zijn namelijk vastgesteld. We willen college en raad betrokken houden, wetende dat er door hen niet veel meer besloten hoeft te worden. En economie is geen kerntaak. We staan voor de uitdaging om voor het centrum van onze gemeente intensiever samen te werken.
    • Leegstand van winkels neemt toe. De gemeente heeft het voortouw genomen om samen met centrumondernemers de problematiek aan te pakken. Het is lastig om tijd / interesse te krijgen van de winkeliers. Wel betrokkenheid van allerlei adviseurs “namens” de winkeliers. Maar we willen de winkeliers zelf betrekken. Bijvoorbeeld door straatvertegenwoordigers, prijsvragen, etcetera.
    • Bij nieuwe woonwijken bepalen we welke (commerciële) voorzieningen nodig zijn. Er is een rekenmodule met drempelwaarden en een verwachte leeftijdsopbouw. We moeten daarbij echter nog wel rekening gaan houden met toekomstige, nu nog onzekere, trends m.b.t. winkelen en consumentengedrag.
    • We zoeken onze rol bij het ondersteunen van startende ondernemers en starters.
    • Bedrijveninvesteringszones (BIZ). We willen ondernemers op bedrijventerreinen stimuleren om aan de slag te gaan met een bedrijveninvesteringszone.
    • Het lokale bedrijfsleven is slecht georganiseerd. We willen samen met ondernemers en hun verenigingen een agenda voor de toekomst bepalen. Er zijn echter weinig bedrijven aangesloten bij verenigingen. De oude garde wil niet loslaten en haalt energie weg. We zijn op zoek naar nieuwe vormen van samenwerking en vertegenwoordiging van bedrijfsleven.
    • Ondernemers moeten zichzelf organiseren. Gebeurt echter slecht of niet. We vragen ons af of we dit moeten stimuleren en hoe dan.
    • We willen nieuwe ondernemerscollectieven vinden en stimuleren. Er is behoefte aan ondernemers die een belang hebben, geen “oude bestuurders”, geen oude bedrijvenkringen e.d.
    • Gemeenten zoeken naar hun rol bij de stimulering van de lokale economie maar beseffen vaak terdege dat ze alleen kunnen faciliteren, verbinden en aanmoedigen. Gemeenten kunnen ontwikkelingen in het beste geval enigszins sturen, mits gebruik wordt gemaakt van de zeer sterke punten van de regio. Maar ook in dat geval is 5 of 10 jaar vooruit kijken al vrij moeilijk.
    • De meningen zijn ernstig verdeeld over veel onderwerpen. Bijvoorbeeld over de vraag of een gemeente wel een stadskern moet hebben of niet. Of over de vraag of een gemeente wel of niet moet werken aan het binden van de jeugd. Ook over de vraag of de gemeente zich moet bemoeien met leegstand of het aan de markt moet overlaten. Of over de vraag hoe je moet omgaan met nieuwe ondernemersinitiatieven die niet passen binnen de bestaande regels, zeker als van hogerhand (provincie) bestemmingsplanwijzigingen worden tegengehouden / teruggedraaid.
    • Spiegels en kralen (laaghangend fruit) werken beter dan complexe collectieve projecten
    • Veel gemeenten doen niets voor/met zzp-ers.
    • Sommige gemeenten hebben een lokale inkoopkalender. Dat is een uitstekend middel om lokale ondernemers te betrekken, activeren en enthousiasmeren. Gemeentelijke bedrijvenpools voor (meervoudig) onderhandse aanbestedingen zijn een uitstekend hulpmiddel om de lokale ondernemer en de lokale economie te stimuleren. Betrek met name ook de lokale zzp-er in de pools !
    • Andere activiteiten van gemeenten zoals ontbijtbijeenkomsten of andere bijeenkomsten vanuit de gemeente, kunnen, mits zeer goed georganiseerd, enorm bijdrage aan versterking van het netwerk en kunnen zorgen voor verbinding en nieuwe energie.
    • Brancheverenigingen, ondernemersverenigingen, bedrijvenkringen en dergelijke worden ervaren als behoudend. Ze houden vernieuwing tegen. Ze zijn niet representatief. Ze bewaken hun territorium en houden nieuwe toetreders tegen. Ze werken niet mee aan ideeen van de gemeente. Wel in woord maar niet in daad.
    • Hoe kunnen we maximaal profiteren van regionale en provinciale regelingen voor versterking van de economie.
    • Wat betekent het topsectorenbeleid voor andere gemeenten.
    • Hoe ontwikkel ik een lokaal economisch beleidsplan voor mijn gemeente.
    • Welke maatregelen op regionaal niveau kunnen worden genomen ter versterking van het vestigingsklimaat.
    • Op welke manier kunnen we de samenwerking tussen het onderwijs en het bedrijfsleven bevorderen in onze gemeente en regio.
    • Onze wethouder loopt periodiek door de stad om ondernemers beter te leren kennen. Bijvoorbeeld met voorzitter Horeca Nederland en anderen. Hoe gaat het. Wat heeft men nodig.
    • Vergunningverlening: vóór de aanvraag is men al in gesprek. In een zg. bouwteam wordt voorwerk verricht. Als de aanvraag er eenmaal ligt, wordt snel gehandeld.
    • Bij vraagstukken op het gebied van bestemmingsplannen, ruimtelijke ordening/planologie/verkeer e.d. is de samenwerking met betrokken partijen uitstekend. Wat dan helpt is dat het regionaal DNA profiel goed bekend is.
    • Bereikbaarheid is belangrijk. Oók om 21.00 uur ‘s avonds.
    • Wees je bewust van het gezicht van de gemeente.
    • Ga niet op de stoel van de ondernemer zitten, maak de gemeente geen eigenaar van het ondernemersprobleem.
    • Geen waslijst aan voorwaarden bij subsidie. Wel co-financiering.
    • Van buiten naar binnen denken want ‘Buiten gebeurt het!’
    • Er zijn open innovatiecentra opgericht. Het Innovatienetwerk zorgt voor (kruis)verbindingen in de gehele regio. We willen bijvoorbeeld ondernemersverenigingen meer betrekken.
    • Ondernemers en onderwijs gaan vraag-gestuurd opleiden (o.a. gekwalificeerd technisch personeel). Gemeenten faciliteren dat. Er zijn projecten gericht op onder- en bovenkant van de arbeidsmarkt en er is aandacht voor de backbone van de arbeidsmarkt; de middenklasse.
    • Ondernemersvriendelijk klimaat scheppen: de overheden en intermediaire organisaties stellen zich klantgericht op, en committeren zich aan duidelijke servicenormen.
    • Een toegankelijke gemeentelijke organisatie voor een excellente ondernemersdienstverlening; de gemeente als belangrijke verbinder van bedrijven en organisaties.
    • Lokale ondernemers een streepje voor geven bij opdrachten.
    • Sociaal-economisch betrokken ondernemers krijgen een keurmerk en krijgen voorrang bij gemeentelijke aanbestedingen. Zo worden mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt geplaatst bij die bedrijven en uit de bijstand gehouden. Het keurmerk is ook open gesteld voor zzp-ers (zij vervullen bijvoorbeeld een rol als match maker en gastdocent).
    • Gemeenten werken regionaal samen en betalen de opleiding tot winkelmedewerker in een bouwmarkt, met een officieel diploma (MBO-4) als resultaat. Na behalen diploma is er een baangarantie. De opleiding bestaat uit 4 dagen praktijkstage en 1 dag naar school, met behoud van uitkering. Na afronding van de opleiding is sprake van een vast contract en uitstroom uit de bijstand.
    • We organiseren ontmoetingen (beroepenfeesten) tussen VMBO-leerlingen en verschillende beroepsbeoefenaren, om vragen te stellen over hun vakgebied. We willen naar pop up opleiding/ onderwijs. Dus onderwijs daar waar activiteiten plaatsvinden. Voor interactie met het bedrijfsleven zijn diverse bouwplaatsen bezocht. Het VMBO gaat op de bouwplaats meebouwen aan een bouwproject. Studenten krijgen onderwijs bij een ICT-bedrijf, op een virtuele campus.
    • Het Ondernemershuis is een publiek-private samenwerking tussen ondernemers en ondernemersverenigingen en de gemeente.
    • In veel regio’s werken kennisinstellingen, bedrijfsleven en overheid samen in flexibele netwerken in kleinere en grotere geografische eenheden, aan gemeenschappelijke ambities die voortkomen uit het DNA van de regio. Die ‘nieuwe polder’ op regionaal niveau bestaat uit de verbinding tussen publieke en private partijen. Deze samenwerking is veelal nog in ontwikkeling, het is meer praten dan doen. De randvoorwaarden voor het optimaal functioneren ervan kunnen nog verder worden ingevuld. In welke gemeenten zijn al successen behaald?
  5. Slotronde en afsluiting
    Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.

Binnen 2 weken wordt een compleet verslag aan alle aanwezige deelnemers toegezonden, vergezeld van een deelnemerslijst en concreet toepasbare aanbevelingen.

Publiek-private intervisiebijeenkomst ruimtelijk beleid (anticiperen op de Omgevingswet)
nov 13 @ 13:30 – 17:00

Publiek-private intervisiebijeenkomst ruimtelijk beleid
(anticiperen op de Omgevingswet)

Dinsdag 13 november 2018 – 13.30 tot 17.00 uur

Voor functionarissen van gemeenten
Met medewerking van bedrijven en brancheverenigingen in de openbare ruimte
Mede ten behoeve van www.deopenbareruimte.nu,
het platform van professionals in de openbare ruimte

Locatie: Amersfoort

Programma

  1. Ontvangst met koffie / thee
  2. Opening door de dagvoorzitter
    DVanuit verschillende invalshoeken en instrumenten wordt uitgebreid stilgestaan bij de naderende Omgevingswet, maar ook de huidige wet- en regelgeving.
    Het is tijd om aan de slag te gaan met de Omgevingswet en om middels nieuwe initiatieven te werken in de geest van de Omgevingswet.
    De bijeenkomst is uitsluitend gebaseerd op specifieke aansprekende praktijkvoorbeelden van de initiatiefnemers en deelnemers. De deelnemers kunnen bij opening van de bijeenkomst melden welke vraag- en probleempunten zij zelf aan de orde willen stellen. Tijdens de bijeenkomst zullen deze problemen grondig worden behandeld, samen met een aantal van de al genoemde onderwerpen onder agendapunt 3, middels praktische intervisie met elkaar en met aanwezige vakdeskundigen.
    De samenwerking tussen gemeenten, burgers en bedrijven in het ruimtelijk beleid kan worden verbeterd.

  3. Bespreking van een aantal van de onderstaande vragen, opmerkingen en aandachtspunten die door gemeenten, bedrijven en brancheverenigingen de afgelopen tijd zijn ingediend:
    • Vanuit oogpunt van burgerparticipatie mogen burgers beslissen hoe ze hun omgeving willen inrichten. Soms botsen de keuzes van burgers met wet en regelgeving. Het is niet duidelijk hoever bewoners mogen gaan met hun keuzes. We zoeken daar momenteel een evenwicht in.
    • Zelfbeheer en participatie kosten erg veel tijd van de organisatie. Er zijn veel obstakels in de buitenruimte. Duurzaamheid moet op de agenda maar we onderzoeken in welke vorm.
    • We hebben nog te vaak een mismatch tussen enerzijds de beleidskaders van de gemeenteraad en anderzijds de belangen van burgers in de wijken. We willen het verwachtingspatroon van de burger beter sturen. Op papier ziet het er vaak mooi uit maar in de praktijk zijn de burgers het er vaak niet mee eens.
    • Er is meer duidelijkheid nodig over relatie omgevingsvisie met andere instrumenten (zoals kostenverhaal, MER-plicht)
    • afstemming zoeken met andere bestuurslagen, partners en gebruikers: in best practices ophalen wat werkt en niet werk bij afstemming tussen verschillende schaalniveau.
    • grote behoefte om vervolg te geven aan de opgebouwde community.
    • lessen ophalen in de praktijk t.b.v. implementatie, digitaal stelsel en wetgeving.
    • Hoe bed je flexibiliteit methodologisch in? Hoe bied je voldoende rechtszekerheid aan gebruikers? Hoe ga je om met planschaderisico’s en het kostenverhaal?
    • We zoeken aansprekende voorbeeldprojecten die een voorbeeld zijn voor anderen. Het gaat om projecten waarbij bijvoorbeeld: de doorlooptijden voor vergunningen of bestemmingsplannen korter zijn, de overheid de bevolking eerder bij ruimtelijke plannen betrekt en de overheid regels eenvoudiger maakt en overbodige regels schrapt.
    • ZZS, de categorie van Zeer Zorgwekkende Stoffen, staat extra in de aandacht. Het beleid hiervoor is uitgekristalliseerd en is uitgewerkt in de ABM (algemene beoordelingsmethodiek).
    • Alle provincies en gemeenten staan aan de lat voor het opstellen van een omgevingsvisie. In 2015 zijn pilots met het opstellen van een omgevingsvisie uitgevoerd door 28 gemeenten.
    • Met brancheorganisaties en overheden is afgelopen jaren gewerkt om meer prioriteit te geven aan energiebesparing in gebouwen. Met de intrede van erkende maatregelen is meer duidelijkheid gekomen over de energiebesparingsverplichting bij bedrijven. Ondanks deze duidelijkheid blijven besparingen echter uit.
    • Mogelijkheden van een gebiedsgerichte aanpak van lozingsactiviteiten. Regels voor afvalwater onder de Omgevingswet en hoe u zich als bevoegd gezag hierop kan voorbereiden.
    • Met de Atlas Leefomgeving kun je als beleidsmaker of initiatiefnemer een eerste inschatting maken over bijvoorbeeld de locatie van een nieuwe school. De kaarten tonen al snel waarom bepaalde plekken afvallen of juist in beeld komen. Niet alleen voor jezelf, maar vooral ook richting het publiek/de bewoners. Het geeft mogelijkheden om gesprekken aan te gaan of alternatieven te introduceren.
    • De Omgevingswet vraagt een nog betere samenwerking zowel voor als achter het loket. Hoe gaan we dat samen doen, overheden onderling en samen met initiatiefnemers.
    • Welke ideeën zijn er rond lokaal regelbeheer in het kader van DSO. Ontwikkel je zelf of sluit je aan op de tools van DSO?
    • Waaraan moet een emissiemeting voor nieuwe stookinstallaties vanaf 2017 voldoen en hoe kun je de emissierapportage hierop beoordelen.
    • Besluit activiteiten leefomgeving: milieubelastende activiteiten in de Omgevingswet. Wat zijn de grote veranderingen t.o.v. het werken met het Activiteitenbesluit.
    • Bij het opstellen van het BAL is het uitgangspunt gehanteerd, dat het bodembeleid neutraal wordt overgezet in de bodemvoorschriften. Door alle activiteiten en voorschriften opnieuw te bekijken is men tot het oordeel gekomen dat bij sommige activiteiten de bodemvoorschriften nu te zwaar zijn of niet (meer) aansluiten bij de best bestaande technieken (BBT). Daarnaast is één van de uitgangspunten van de Omgevingswet het verminderen van onderzoekslasten bij de burger. Ook daardoor zijn niet alle bodemvoorschriften beleidsneutraal ingestoken. Dit moet het bodembeschermingsbeleid eenvoudiger en beter maken.
    • De Crisis- en herstelwet biedt de mogelijkheid om in concrete situaties tijdelijk af te wijken van milieunormen. Doel van dit experiment is gebieden waar een transformatie wordt gerealiseerd een steun in de rug te geven door op een eerder tijdstip ontwikkelingen mogelijk te maken.
    • De mogelijkheden, die de Crisis- en herstelwet biedt om vooruit te lopen op het omgevingsplan dat centraal staat in de Omgevingswet. Inmiddels zijn er zo’n 70 experimenten “bestemmingsplan met verbrede reikwijdte” aangewezen.
    • Er is de afgelopen tijd gewerkt aan een herziening van de PGS15-richtlijn voor de opslag van gevaarlijke stoffen. Wat zijn de belangrijkste veranderingen en discussiepunten.
    • In Nederland bevinden zich ruim 4000 tankstations, deels met LPG, maar allemaal grotendeels hetzelfde. Vrijwel alle omgevingsdiensten controleren deze risicovolle inrichtingen nu op basis van dezelfde checklist en wisselen actief kennis en ervaring uit via een van de meest dynamische kennisgroepen op Omgevingsdienst.nl.
    • De verbetering van de kwaliteit van het toezicht is groot, de aanpak steeds meer uniform en digitaal, de niet naleving wordt landelijk geanalyseerd, we gaan actief het gesprek aan met de branche en we komen gezamenlijk met structurele oplossingen. Een voorbeeld van het toezicht van de toekomst?
    • Hoe verhouden bestaande erfgoedwaarden in gebieden zich tot de opgave om een duurzame energievoorziening te realiseren, zowel op inhoud als proces? En op welke wijze kan de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE), ook samen met andere partners, de gebieden hierin faciliteren?
    • De erkende maatregelen voor energiebesparing zijn nieuw in het Activiteitenbesluit. Wat is de samenhang tussen de energiebesparingsverplichting, erkende maatregelen, auditplicht, e-labels, MJA, energie- en milieumanagmentsystemen.
    • Als evenementen een ruimtelijke impact hebben, moet hiervoor een regeling in het bestemmingsplan opgenomen worden. Maar hoe regel je dat in het bestemmingsplan en welke (milieu-)aspecten zijn relevant?
    • Wat zijn de veranderingen in het denken over Externe Veiligheid en veiligheidsafstanden, in de nieuwe Omgevingswet.
    • Het geluid van bedrijven wordt straks voor een groot deel geregeld in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan instructies waar de gemeente bij het opstellen van een omgevingsplan rekening mee moet houden. De gemeente krijgt meer afwegingsruimte dan nu het geval is.
    • Het verplaatsen van grond en bagger kost veel geld en tijd: dat kan slimmer. De Omgevingswet biedt kansen, maar het Besluit bodemkwaliteit biedt nu ook al veel mogelijkheden. Het is alleen zaak deze goed te benutten! Eenvoudiger, inzichtelijker en bestuurlijke afwegingsruimte zijn verbeterdoelen van de Omgevingswet, maar het kan nu al. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat binnen de Omgevingswet ruimte genoeg blijft voor optimaal hergebruik van grond en bagger?
    • Kostenverlaging in bodembeheer door grensoverschrijdend te werken.
    • Hoe krijgt gezondheid een plek in de omgevingsvisie? Wat zijn de aandachtspunten voor een gezonde inrichting van een gebied en bepaal je ambitieniveaus?
    • Hoe krijg je op wijkniveau inzicht in gezondheid en leefomgeving op de aspecten geluid, geur, lucht, bodem, hitte, groen, bewegen, e.d.
    • Wat zijn kansen voor gezondheid in de integrale omgevingsvisie en wat zijn aanknopingspunten in het beleid.
    • Er is een verschuiving van de ‘klassieke’ gezondheidsbescherming (voldoen aan normen) naar gezondheidsbevordering door het slim inrichten van een gebied.
    • De Omgevingsvisie is dè plek om visie en ambities ten aanzien van de leefomgevingskwaliteit op te nemen en zo ook het grondwater.
    • Weten wat er verandert met de herziening van LAP2 naar LAP3? (Afvalbeheerplan)
    • Het asbestdaken verbod en de bijbehorende subsidieregeling van RVO.
    • Hoe ondersteunt het Digitaal Stelsel de Omgevingswet? Wat wordt het eindbeeld 2024 en hoe maakt het DSO processen eenvoudiger voor de eindgebruiker?
    • Hoe gaan we het aspect geluid (wellicht gebiedsgericht) zijn plaats geven in een integrale afweging, rekening houdend met bijvoorbeeld het Actieplan geluid?
    • Wat kan een overheidsfunctionaris allemaal met LAVS? Welke gegevens kunnen we inzien en welke niet? Hoe kunnen we het LAVS gebruiken bij het asbest toezicht?
    • In 2015 is het Besluit Risico’s Zware Ongevallen gewijzigd en in het voorjaar 2016 de daarbij behorende Regeling.
    • In de Omgevingswet zijn de regels over milieueffectrapportage (MER) opgenomen. Niet alles blijft bij het oude.
    • Op 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Samen met de in 2018 in werking te treden Omgevingswet ligt er zodoende een nieuw wettelijk kader voor het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving. Zo regelt de Erfgoedwet bijvoorbeeld de aanwijzing van beschermde rijksmonumenten en de certificering voor het mogen verrichten van archeologische opgravingen. Ook regelt de Erfgoedwet de aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten en dat bij het opstellen van omgevingsplannen rekening wordt gehouden met cultureel erfgoed.
    • Wat zijn de eerste praktijkervaringen met de omgevingsvisies en de MER-rapportages in de praktijk?
    • Participatie is een belangrijk onderdeel in de Omgevingswet. Maar hoe geef je hier effectief invulling aan in de praktijk? Maak gebruik van Community Benefits Agreements.
    • Burgerparticipatie is nu zelfs verankerd in art. 2.1 van de Omgevingswet. Naast het betrekken van de burgers bij planvorming is er nog een tweede beweging gaande; het stimuleren en faciliteren van burgerlijke initiatieven, onder meer door de ‘regellast’ te verminderen, maar ook door een andere houding en gedrag van de overheid. Ook daarvoor biedt de Omgevingswet een basis. Maar een grotere rol voor burgers onder de Omgevingswet zal niet vanzelf van de grond komen. Welke vernieuwende vormen van participatie kunnen worden ingezet
    • Kan het Programma Aanpak Stikstof (PAS) wellicht 1-op-1 worden gebruikt voor een bestemmingsplan, zodat het opstellen van een aanvullende passende beoordeling (en bijbehorend plan-MER) niet nodig is?
    • Eén van de zes kerninstrumenten van de Omgevingswet is het projectbesluit. Met de projectprocedure krijgen waterschappen, provincies en Rijk een slagvaardige procedure voor complexe projecten waarbij zij de verantwoordelijkheid hebben voor publieke doelen, zoals infrastructuur en waterveiligheid. Het kan ook gaan om private initiatieven die samenvallen met die doelen, zoals de aanleg van een windmolenpark of hoogspanningsleiding.
    • De Omgevingswet creëert veel meer ruimte voor initiatieven, maar roept ook allerlei beren op de weg op. Want hoe garanderen we kwaliteit en continuïteit, hoe gaan we om met risico’s en aansprakelijkheid of met ongelijkheid? In de praktijk blijken er al talloze manieren te zijn om regels integraal toe te passen.
    • Met de komende Omgevingswet wordt de beoordeling van bouwplannen aan ruimtelijke kwaliteit niet meer wettelijk geregeld. Gemeenten mogen in de toekomst zelf bepalen hoe zij ruimtelijke kwaliteit bespreekbaar maken.
    • Het bevoegd gezag heeft een cruciale taak in het succes van de convenanten MJA3 en MEE. Zij beoordelen of een EEP een volwaardige invulling is van de energiebesparingsverplichting van het Activiteitenbesluit.
    • De Wet VTH is in april dit jaar in werking getreden. Wat is de stand van zaken rondom de AMvB VTH en wat is de relatie met de Omgevingswet.
    • Via een aanvullingswet wordt de Omgevingswet aangevuld met de bodemregelgeving. Het nieuwe wettelijke instrumentarium is gebaseerd op het voorkomen van nieuwe verontreinigingen of aantasting (preventie), het meewegen van de bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (het toedelen van functies) en het op duurzame en doelmatige wijze beheren van de resterende historische verontreinigingen.
    • In 2017 treedt het 3e Landelijke Afvalbeheerplan (LAP3) in werking waarin het beleid met betrekking tot de beoordeling of en wanneer een stof een afvalstof is, wordt aangepast en verduidelijkt.
    • Praktijkvoorbeelden hoe men in de uitvoering nu al kan handelen naar de geest van de Nieuwe Wet Natuurbescherming (flora en fauna) en de Omgevingswet.
    • Het huidige Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) eindigt per 31 december 2016. Er komt een verlenging van het NSL totdat de Omgevingswet van kracht wordt. Hoe zou deze verlenging eruit kunnen zien en wie zijn de partners? Wat betekent dat voor de NSL-rapportages over luchtkwaliteit en het behalen van de Europese grenswaarden? Welke gevolgen heeft de verlenging voor de monitoring? Wat betekent de verlenging voor de projecten en maatregelen in het NSL?
    • De veranderingen ten gevolge van de Wet Natuurbescherming.
  4. Slotronde en afsluiting uiterlijk om 13.00 uur
    Iedereen krijgt de kans tot een laatste woord, een slotconclusie en het doen van een persoonlijke aanbeveling. Ook hiervan wordt verslag opgemaakt.

Binnen 2 weken wordt een compleet verslag aan alle aanwezige deelnemers toegezonden, vergezeld van een deelnemerslijst en concreet toepasbare aanbevelingen.

branchecentrum contact button
Share This